Home Genstart Log Sources


De Nederlandse Oudheden in de Molukken


V I van de Wall

 

De negorij Haroekoe (Haruku)

De voornaamste negorij van het eiland Haroekoe of Oma is het gelijknamige plaatsje dat zeer schilderachtig gelegen is aan de baai van Haroekoe. In dit vriendelijk plaatsje, dat niet alleen tijdens het Compagnies bestuur herhaaldelijk werd vermeld, maar ook in de woelige dagen van 1817, bevindt zich de ruïne van de vesting Nieuw-Zeelandia en een kerkje, gesticht door de bekende Dominee Joseph Kam (1769-1833).

Hier voerde een Onderkoopman het bewind met de titel van Opperhoofd. Weliswaar was dit comptoir niet zo belangrijk als Honimoa, waaronder het zo vruchtbare eiland Nusalaut nog ressorteerde, maar toch had ook hier het Opperhoofd een prinsenleventje. Enkele dorpen op Ceram, zoals Roemakai, werden tot Oma's ressort gerekend en menig stil winstje viel ook hier te behalen, zij het dan ook niet zo overvloedig als op Honimoa. Overigens had het Opperhoofd hier dezelfde rechten en verplichtingen, en genoot alsmede een groot aanzien.

De ruïne van de vesting Nieuw-Zeelandia bevindt zich op een vlak strand, waar elke dag de razende golfslag een aanval pleegt op het broze bouwwerk. Tal van fragmenten, bastionsmuren en waterputten, tezamen een vormeloze hoop, getuigen van deze herhaalde woede-uitbarstingen. Eenzaam staat daar het kruithuisje, dat los gescheurd is van het vestingverband en geduldig wacht op het naderende einde. Elke dag gaat er een gedeelte van het monument heen, wordt weggevoerd een brokstuk van 's Compagnies geschiedenis. De branding, die beukt en slaat zonder mededogen, is wel een geduchte vijand, zoals wellicht het fort nimmer gekend heeft. Onverbiddelijk wordt alles naar de diepte meegesleurd en wreder is nog dit spel van de zee dan de funeste invloed van de plantengroei op de oude muren.

Arm Zeelandia, waardig tot het einde toe, draagt ge nog den trotschen naam van het fiere gewest tusschen Maas en Schelde met het niet minder fiere devies "Luctor Et Emergo". Als voorloper van de vesting Nieuw-Zeelandia kan beschouwd worden het bolwerk, gebouwd in 1655 ter vervanging van het kleine fort Zeelandia, dat in 1626 door Gouverneur van Gorkum werd gebouwd en later opgeheven. Een sergeant met een bezetting van 24 soldaten hield er verblijf, terwijl het Opperhoofd een huis buiten de vesting had, die veiligheidshalve met een pagger van palissaden was omringd.

Gedurende het bewind der Compagnie bewees het goede diensten; in het begin der negentiende eeuw begint het diepe verval. Zo langzamerhand zien wij dan het fortje verlaten. In 1817 wordt het door Verhuell beschreven als "in ellendigen staat van tegenweer. Evenals de verschanste negorijen der muitelingen, bestond dezelfde uit muren van 4 à 5 voet hoog en dik, van koraalrotsen opeengestapeld, hier en daar met embrasures, waarin een veldgeschut stond". Geen der kanonnen was bruikbaar, de affuiten "verrot en vergaan" heet het verder. Luitenant Musguetier, diens Majoor Beetjes er met 50 man achtergelaten, werd de eerste Commandant; later voerde Kapitein, later Majoor P.L. van Driel het gezag. Verder bestond het garnizoen uit 106 man met nog 2 Luitenants Scheffer en Scheidius. Des te meer strekt het tot ere der verdedigers, dat menige aanval der muitelingen op dit vervallen fortje onder de dappere Van Driel en de zijnen werd afgeslagen.

Na de opstand bleef er niet veel meer over van het fortje Zeelandia; in 1818 vaagde, een hevige orkaan die deze kusten teisterde, fortje en al van de aardbodem weg. In 1822 werd de thans nog bestaande vesting Nieuw-Zeelandia gebouwd, nu ook niet veel meer dan een ruïne. In 1862 was zij reeds door de militaire bezetting verlaten en diende het tot verblijfplaats van een commies, die toezicht had te houden op de kruidnagel leveranties. Het is een vierkante ommuring voorzien van musketopeningen met een land- en een zeebastion, die gedeeltelijk zijn ingestort, een gaaf gebleven kruithuisje en een poterne, die echter in stukken ligt. De binnenruimte werd in 1921 ingenomen door een menigte haveloze hutten, die met klappertuintjes en maïsaanplant, de plaats der fortgebouwen innemen. De constructie is eenvoudig, twee bastions zijn tegen over elkander geplaatst, terwijl de andere niet van versterkte punten zijn voorzien. In de muren zijn aangebracht musketladen, lange smalle openingen voor het geweervuur.

De hoofdpoort is nog in goede staat, versierd met eenvoudig pleisterwerk en een gevelsteentje, waarop: "De vesting Zeelandia". Aan de achterzijde staat geschreven 1822, de datum van de herbouw na de opstand van 1817, terwijl oude kanonnen overal verspreid liggen......

Tussen de Regentswoning en de ruïne van de vesting staat het kerkje, waar boven de deuropening prijkt "Eben-Haezer". Een steen in de muur herdenkt de stichting door Ds. Joseph Kam. Met het lagen strooien dak, de boogvormige hoge ramen met kleine ruitjes en de oude muur met hekposten, is het een van de meest schilderachtige kerkjes hier te lande, eenvoudig en zindelijk. Een bank met baldakijn, voor de Regent en zijn gezin bestemd, prijkt er met rijk snijwerk, glanzend en verguld.

Ds. Joseph Kam, dezelfde die het fluitspel als begeleiding van het kerkgezang heeft ingevoerd was gedurende achttien jaren lang predikant te Amboina (1815-1833). Zijn getrouwe plichtsbetrachting, rusteloze ijver en voorbeeldige levenswandel, deden hem de liefde der Ambonezen verwerven. Gedurende zijn predikantschap bezocht hij jaarlijks Ternate, Banda, Saleyer, de Talaud-eilanden, de Aroe-eilanden, Menado en de Zuidwestereilanden, verder alle Ambonsche eilanden. Deze tochten waren niet zonder gevaar, lang en vermoeiend, en werden tenslotte de oorzaak van zijn dood.

Hij stierf op 18 juli 1833 te Ambon, van uitputting, veroorzaakt door zijn laatste dienstreis. Hij liet een weduwe Sara Maria Timmerman (1796-1858) na en een zoon Joseph Karel (1819-1920), die later ook predikant werd. Op eigen kosten en van de kostbare geschenken, die hem van de radja's en hoofden ten deel vielen, bouwde hij een kerk in de Heerenstraat te Ambon die echter in 1835 door een aardbeving werd vernield. Zijn persoon en zijn werken leven nog in de herinnering voort bij de vrome Ambonezen, in het bijzonder van die te Haroekoe, waar hij dikwijls en gaarne vertoefde. Als zodanig wordt het kerkje hier dan ook bijzonder vereerd.

(pag 201-203)

 

uit: V.I. van de Wall - De Nederlandse Oudheden in de Molukken.
© s'Gravenhage 1928
Out of print