Een Verzetsgroep
Het verhaal van een Soerabajaan
Proloog
Soerabaja. Bruisende handelsstad; bedrijvig mierennest van oosterlingen en westerlingen; veilige thuishaven van de oorlogsvloot; woon- en werkplaats van blank en bruin, van Chinezen en Arabieren, Boeginezen en Madoerezen, Javanen en Nieuwediepers, van veel Indische mensen ook, de toegewijde employés van de banken, de handelsfirma’s, de scheepvaartkantoren; loyale ambtenaren van spoorwegen en gouvernement.
Toen kwam de oorlog.
Mijn ouders woonden in Kedoeroes, even buiten Soerabaja gelegen op een strategisch punt aan de rivier de Brantas als voortzetting van de kali0 Solo.. Het KNIL had dan ook, al lang voor de Japanse inval, de directe omgeving van ons huis verrijkt met een groot aantal mitrailleurposten (bunkers zouden we hier zeggen) die onderling verbonden waren door een netwerk van loopgraven.
In de gevechten rond Soerabaja hebben deze stellingen nauwelijks een rol gespeeld maar het vertrek van de KNIL troepen had zo overhaast plaats, dat de meeste wapens met de bijbehorende munitie werden achtergelaten.
Enkele dagen na de overgave van het KNIL lagen de wapens er nog zo voor het grijpen. Zelfs het militaire wagenpark werd gebruiksklaar achtergelaten.
Bij geruchte vernomen hebbende dat de verzetsgroepen die zich in de bergen rond Malang hadden geformeerd, een grote behoefte hadden aan wapens en munitie, was onze opgave duidelijk: deze wapens moesten naar de bergen!
Fase I was niet zo moeilijk: een snelle inzamelingsactie deden wapens en munitie verhuizen naar mijn ouderlijk huis, waar overigens bij het inschieten door onze eigen artillerie het dak van gesneuveld was. Pistoolmitrailleurs, karabijnen, revolvers en munitiekisten stapelden zich bij ons thuis op. Maar nu kwam het moeilijkste.
Het contactadres voor de verzetsgroepen lag in Batoe, een vijftiental kilometers voorbij Malang, op de uitlopers van de bergen. Meer dan 90 kilometer ver moesten we, door een gebied dat wemelde van de japanners, en met een bevolking die als de dood was voor de afschuwelijke represailles van de Jappen tegen anti-Japanse elementen!
Van een beddelaken hebben we (Tony Monod de Froideville en ik) toen een Japanse vlag gemaakt die groot genoeg was om de hele motorkap van onze legergroen gecamoufleerde auto te bedekken. Hiermee hoopten we enerzijds de Japanners de indruk te geven dat we voor hén werkten en anderzijds verraad door de Indonesiërs in de kiem te smoren. Bovendien droeg Tony Monod een soort Japans petje wat de zaak nog echter deed lijken.
We kozen voor binnenwegen, in de verwachting daardoor minder Japanners tegen te zullen komen. En het werkte!
Japanse schildwachten bij bruggen, spoorwegen e.d. brachten ons met “geweer aan de voet” het voorgeschreven eerbetoon en de Indonesiërs...........gingen er als hazen vandoor!
Zij hadden eens moeten weten dat onze auto volgeladen was met wapens voor de verzetsgroepen!
Driemaal hebben we de tocht naar Batoe gemaakt (waar we de lading afleverden bij een bewoond huis maar waarvan we de bewoner nooit zagen), maar toen begon het in de gaten te lopen. We kregen de waarschuwing dat men nu doorhad dat deze auto van ons niet helemaal in de Japanse troepenbeweging paste, en een vierde rit zou dus onherroepelijk op een catastrofe zijn uitgelopen. De nog resterende wapens hebben we toen zorgvuldig begraven; zelfs een complete legermotorfiets verdween onder de grond.
Enige tijd kater hebben we ons, samen met een vijftal anderen, ook in de bergen teruggetrokken. Maar niet nadat we weer een hoeveelheid wapens hadden opgegraven. Met de hele groep hebben we ons op een afgelegen koffieplantage voorbereid op de landingen van onze bondgenoten. Landingen waar we nu nog op wachten....
In maart 1943 heeft de Jap ons tenslotte toch nog te pakken gekregen.
Was getekend Reinaud Poeternay.
Zo eindigt het eerder gepubliceerde verhaal van Reinaud Poeternay, thans adjudant onderofficier van de Mariniers in ruste, zoals dat heet. Maar voordat voor hem en zijn groep in maart ’43 het doek viel – en daarna -, waren er nog enkele dingen gebeurd die aanvankelijk liever maar weggestopt waren, gebeurtenissen waar je in je drukbezette leven nog wel eens een enkele keer aan terugdacht, maar die zich naderhand hoe langer hoe meer begonnen op te dringen. Dat vervolgverhaal volgt hieronder, ons verteld met de uitdrukkelijke aantekening dat dit niet gedaan is tot vergaren van eigen roem of glorie doch alleen om de verzetsgroep Trauerbach, waartoe hij behoorde, uit de vergetelheid te halen. Over die groep is blijkbaar niets bekend want tussen de verhalen, die over het verzet in Nederlands Indië gaan , heeft hij nog nooit iets over die groep aangetroffen.
Trauerbach was in die jaren administrateur van de cultuuronderneming Kali Tapak, op de zuidhelling van de Goenoeng Boetak, west van Malang. Hij had nieuwe contacten met kapitein Meelhuysen in Soerabaja en met de KNIL-sergeanten Willem (Wiwi) Pangemanang en Runtuwene, beiden uit Malang.
Het verzetswerk van Trauerbach wordt naar mijn mening tekort gedaan. In de slechts vier regels die prof. De Jong in zijn Indiëdeel aan hem wijdt, wordt hij echter wel in één adem genoemd met Ir. Koops Dekker (Ridder MWO 4e kl.), met kapitein de Lange (Ridder MWO 4e kl.), met dr. Colijn en Kapitein Meelhuysen.
Vooral zijn laatste daad mag nooit vergeten worden want naar mijn stellige overtuiging heeft hij daarmee meerdere levens gered – in ieder geval het mijne – door na zijn arrestatie zelfmoord te plegen. Dit had hij ooit voorspeld te zullen doen als hij gevangen genomen zou worden. “Rein” had hij me wel eens gezegd, “als ze mij te pakken krijgen pleeg ik zelfmoord, want ik weet niet of ik wel zal kunnen zwijgen, als ik gefolterd word”.
Tevoren had ik nooit van Trauerbach gehoord, laat staan dat ik hem kende. Ik was zeventien jaar, woonde bij mijn ouders in Soerabaja en had net de MULO doorlopen toen de Jap binnenviel. Door vrienden van me, allen Indische jongens zoals ikzelf, - behalve Socrates, die van Surinaamse afkomst was – kwam ik op de onderneming Kali Tapak terecht waar, zoals gezegd, Trauerbach administrateur was. Dat ging als volgt in zijn werk.
Alle Indische mensen buiten de kampen moesten van de Jap een pendafteran1 aanvragen waaruit onder andere je afkomst en je nationaliteit bleek en aan de hand waarvan eventueel door de Jap bepaald kan worden of je op vrije voeten bleef of dat je in een kamp zou verdwijnen. Die vrienden van me waren alle vijf wat ouder dan ik en waren tijdens de invasie van de Jap als milicien in dienst geweest. Zij hadden zich echter aan de krijgsgevangenschap onttrokken door zich niet bij de Jap te melden, maar gewoonweg naar huis te gaan. Het waren
Eddy Socrates milicien bij het KNIL
Piet Koreman idem
Albert Guttenberg idem
John Pandy zeemilicien matroos
en Frans Paap idem matroos seiner.
De eerste drie woonden dicht bij elkaar in dezelfde buurt, de Grote Kalongan, en in diezelfde buurt woonde ook ene mejuffrouw Braun, een ambtenares.
Die juffrouw Braun en Socrates, beiden afkomstig uit Suriname, kenden elkaar goed. Zij stond echter ook in contact met Meelhuysen. Daar zat dus het verband en via Socrates kwamen ook wij, zijn vrienden, indirect in contact met Meelhuysen (en later met nog anderen, zoals de onderluitenant Groothuizen en de sergeant majoor Ferdinandus).
Piet Koreman woonde in Sepandjang; dit is van belang om te weten omdat in die buurt het verraad gescholen kan hebben dat onze groep in maart ’43 oprolde.
Kort na de capitulatie van het KNIL was daar namelijk een Indisch man komen wonen die voor de Kenpetai2 werkte. Dat was ene Jacobs, gepensioneerd sergeant van het KNIL, die oorspronkelijk in Kedoeroes gewoond had, waar Frans Paap en ik woonden, en die ons dus van nabij kende.
Het is des te merkwaardiger dat juist Jacobs zijn diensten aan de vijand aanbood, als men bedenkt dat er tot de capitulatie geen fanatieker militair bestond dan juist hij. Het KNIL was zijn afgod en hij de trouwste dienaar en dat had hij altijd laten zien ook. Altijd keurig in het uniform gestoken, opgedoft, gepoetst, geknipt en geschoren zoals wij bij de Marine zeggen, had hij erbij gelopen. De enige verklaring van zij ommezwaai die ik kan geven, is dat hij als enige Europeaan in de kampong woonde bij zijn Indonesische vrouw en dat hij wel mee moest heulen met pro-javaanse bevolking om zijn eigen hachje te redden. Dat hachje heeft hij overigens niet kunnen redden, want later is hij zelf door de Kenpetai gepakt en overgebracht naar de gevangenis Soekoen Miskin in Bandoeng, waar hij overleden is. Deze Jacobs kende behalve Frans Paap en mij, zodoende ook Piet Koreman goed en het zit er dik in dat hij Piet miste. Hij had Piet immers gezien als militair, hij wist dat Piet niet in krijgsgevangenschap was, hij wist ook dat hij een geldige pendafteran had en toch was hij er niet.......ra ra waar was hij dan wel.? Zo zou het verraad kunnen zijn ontstaan. Bewijzen kan ik het echter niet.
Maar dit was even vooruitlopen op de geschiedenis die zich nog zou afspelen.
Die vijf genoemde jongens waren dus via juffrouw Braun en Socrates indirect in contact gekomen met de zich in Soerabaja schuilhoudende kapitein Meelhuysen, die al direct doende was om wapens en medicijnen te verzamelen. De oorlog zou immers – volgens Djojobojo3 – maar drie maanden duren en bij de dan volgende geallieerde aanval op Java moest de Jap in de rug bestookt worden.
Omdat ze wel aanvoelden dat ze, ondanks hun pendaftaran, een onderduikadres nodig hadden, besloten ze veiligheidshalve om de bergen in te trekken. Gelukkigerwijs had een gemeenschappelijke vriend van ons, Ruud Frijlink, een broer die de cultuuronderneming op Sriwidodo bezat en daar konden zij en ik worden ondergebracht. Sriwidodo is een plaatsje net boven Pakisadji, zuidwest van Malang aan de spoorlijn naar Blitar. Vandaar uit kregen wij connecties met Trauerbach, die op een dag lopen daarvandaan zijn onderneming runde. Toen ik eind mei, begin juni 1942 naar Sriwidodo vertrok, wist ik nog maar vaag iets van welke groep dan ook af; trouwens de hele situatie was nog zo nieuw en zo vreemd allemaal dat er van het formeren van verzetsgroepen nog maar weinig sprake kan zijn geweest. Ik ben er. Alsof er niets aan de hand was, met een officiële werkvergunning op zak, naar toe gegaan, onder het mom van het draaiende houden van de koffieonderneming van de heer Frijlink, die krijgsgevangene was. Pas dáár kreeg ik in de gaten dat er contacten bestonden tussen Trauerbach en deze vijf jongens,dankzij – bleek me achteraf – kapitein Meelhuysen en de uit de krijgsgevangenschap ontsnapte onderluitenant Groothuizen. Ik weet nu wel heel zeker dat het Meelhuysen is geweest die ons in de richting van Trauerbach gedirigeerd heeft.
Trauerbach was namelijk een belangrijke factor voor het komende verzet. Hij was namelijk, voordat de Jap binnenviel, sergeant-commandant van de landwacht op zijn onderneming geweest. Die landwacht bestond uit inheems personeel en beschikte over wapens en voertuigen, hem door het KNIL verstrekt. Na de capitulatie op 8 maart 1942 had hij niet alles ingeleverd, zoals de Jap had verordineerd, maar had een gedeelte achtergehouden, waaronder ook een legermotorfiets, waar hij maar wat trots op was. Met die wapens is hij ook na de capitulatie van het KNIL zijn mensen nog blijven trainen, zogenaamd ter bescherming van zijn onderneming tegen rampokkers4. Dat oefenen bestond zelfs nog uit schieten en onder andere ook uit het leren waarnemen waar de Jappen zaten, hoe sterk ze waren, wat ze deden en dergelijke. Ook wij van Sriwidodo werden daarbij betrokken. Totaal bestond zijn “eenheid” uit zo’n kleine zestig man, waarvan wij met ons groepje van zes, het zogenaamde kader vormden, dit overigens – begrijpelijk – zeer tegen de zin van het inheemse personeel. Van de situatie elders hield hij zich op de hoogte door het uitzenden van waarnemers, zeg maar spionnen, naar de omliggende plaatsen zoals Malang of Kediri of naar naburige ondernemingen, zoals die van ene meneer Rups, die in Blitar actief scheen te zijn; maar ook naar de al eerder genoemde sergeanten Pangemanang en Runtuwene, wier activiteiten hoofdzakelijk bestonden uit het opvangen en verzamelen van rondzwervende Ambonese en Menadonese militairen.
Wat heeft onze groep nou daadwerkelijk aan verzet gedaan, zal men zich afvragen, want daar gaat het natuurlijk allemaal om. Nou, behalve dat we dus verbinding onderhielden met andere groepen of groepjes, zochten we naar wapens en kochten die op, waar ze ook maar te koop waren. Daarop hadden we volop de steun van de Chinese bevolkingsgroep, die altijd wel wat op de kop wist te tikken en een zó grote haat tegen de Jap had dat ze ten koste van alles meedeed. Voor de oorlog vormden de Chinezen altijd een afgesloten gemeenschap waar je maar moeilijk tussenkwam, maar nu lieten ze zich ineens kennen als je medestander, vaak ook ten koste van eigen verliezen. Kijk maar hoeveel Chinezen er op het Ereveld Antjol begraven liggen, door de Jap geëxecuteerd, onthoofd of op andere wijze vermoord.
Ook medicamenten waren hoogstbelangrijk en we verkregen ze. Vraag me niet waar ze van- daan kwamen of waar het geld vandaan kwam, dat weet ik niet. Ik deed afleen maar koeriersdiensten; ik was de jongste van het stel en was begiftigd met een babyface, de on- schuld zelve. Als ik beweerd had dat ik vijftien was, had iedereen dat geloofd. De anderen moesten - mede door hun militaire verleden - zoveel mogelijk op de achtergrond blijven.
Reizen deed ik met gebruikmaking van de ge wone openbare vervoermiddelen. Niks geen kruip door sluip door, maar gewoon met de dogcar of met de trein. Vanuit Malang naar Sriwidodo bijvoorbeeld, reed ik eerst met de trein naar Pakisadji, een stil dorpsstationnetje, stapte daar in een dogcar tot de vier uur verderop gelegen pasangrahan5 en ging dan verder te voet, omdat de weg naar Sriwidodo te steil werd voor de paardjes. Van Sriwidodo naar Kali Tapak moest ik dan nog een bergrug over en dat kostte nog een dag lopen.
Van Malang naar Soerabaja was het natuurlijk een koud kunstje voor mij om daar aan onder dak te komen en de vaste man waar ik daar berichten moest bezorgen was Felix Faber, die zich voor luitenant uitgaf, maar later de sergeant majoor Ferdinandus bleek te zijn geweest.
Al onze activiteiten waren echter gericht op dat ene doel: wanneer de Geallieerden zouden landen, dan zullen wij hen met subversieve acties te hulp komen. Volgens de legende van Djojobojo, waar iedereen heilig in geloofde, zou de Jap het hoogstens drie maanden – de tijd van het rijpen van de djagoeng6 - volhouden op Java. Dat geloof was zelfs zo sterk dat in juli/augustus ‘42 de kabar angin7 rondwaarde.dat de Amerikanen op West Java geland waren en bezig waren op te rukken. Het maakte ons echter alleen maar kierewiet en onvoorzichtig; maar wat deed dat er eigenlijk toe: voordat de Jap voor ons gevaarlijk zou kunnen worden, zouden we immers alweer van Java geschopt zijn? Die onvoorzichtigheid ging zelfs zo ver en dat was eigenlijk een grote fout van Trauerbach - dat men bij voorbeeld op de om liggende cultuurondernemingen openlijk wist te vertellen dat er op Kali Tapak nog een landwachtafdeling bestond, die volledig in tact was. Dat stak hij absoluut niet onder stoelen of banken. Zo zat naast (nou ja, naast) onze onderneming Sriwidodo een administrateur op een andere koffieonderneming, een Hollander wiens naam me ontschoten is, die er tegenover ons schande van sprak wat door allemaal bij Trauerbach gebeurde. Als die wel eens bij ons op bezoek was, waarschuwde hij ons altijd: “Zeg toch tegen Erbo dat hij dat niet moet doen. Vandaag of morgen loopt hij gegarandeerd tegen de lamp”. Iedereen scheen. langzamerhand wel te weten wat zich daar afspeelde. Maar wat gaf het? Binnen drie maanden zou het immers bekeken zijn? Goed, dat er desnoods nog drie maanden bij komen, nou wat dan nog? We zitten immers lekker ver weg in de bergen en als er vóór die tijd wat gebeurde, waren we zó weg..........
Dat de Jap
ófwel geen haast had met onze groep te liquideren, ófwel geen weet had van onze
ondergrondse activiteiten, bleek ons duidelijk toen de loerah8
van de nabijgelegen dessa9
ons op een goeie dag kwam aankondigen dat er een gezelschap orang10
Nippon de onderneming op Sriwidodo zou komen bezoeken voor een inspectie.
Wij dus zorgen dat alles er spic en span uitzag, alsof het een gewone ouderwetse
militaire in- spectie was en zoiets bleek het nog te zijn ook. Een hoge
jappenofficier met daaromheen en erachter allerlei buigende en “hai” roepende
mindere godenzonen, een korte rondgang, goedkeurend gemompel, hakkengeklap en de
zaak was bekeken. De inspectie was geslaagd. We hebben ons wel een beetje
vergist in de flexibiliteit en de mobiliteit van de Jap. We waren teveel
indiaantje aan het spelen, ons verkijkend op de jarenlange oorlogservaring van
onze tegenstander. We voelden ons nog altijd superieur, niet beseffend dat we
aan de vechtmethodes van de Jap niet konden tippen. Het beroerde was: wij lieten
ons, in ons jeugdig enthousiasme opjutten. Ikzelf bijvoorbeeld vond het al
geweldig om mee te mogen doen; ik voelde me flink, opgevoed in vaderlandsliefde,
respect voor de vlag en het allerbelangrijkste: respect voor het vorstenhuis.
Nog zo’n risico wat Trauerbach nam was dat hij doodleuk schietoefeningen hield,
weliswaar met een .22, een wapen dat niet zoveel herrie geeft, accoord, maar het
blijft een vuurwapen. Je zit op zo’n onderneming met allemaal inheems personeel
dus is er altijd wel iemand die het graag wil doorvertellen. Bovendien oefende
de inheemse landwacht zelf mee, dus het gebeurde allemaal open en bloot. Tot
vlak na onze capitulatie hield hij zelfs nog een soort veldoefeningen maar dat
is langzamerhand toch verwaterd.
Ons vooropgezette doe! hebben we dus nooit bereikt. De Amerikanen kwamen niet en
wij hebben dus niet gevochten. Zo simpel is dat. We werden wel gearresteerd.
Als ik in
Malang moest zijn, logeerde ik bij de familie Schardijn, een Indische familie,
waar ik ook Pangemanang en Runtuwene ontmoette. Schardijn zelf was employé in de
suiker en was nog op vrije voeten; bovendien was hij eigenaar van een melkerij,
melkerij Victoria. Runtuwene was zogenaamd werknemer in de melkerij; hij gaf
zich echter niet uit als Runtuwene maar als broer van Pangemanang, dus ik wist
niet beter of hij heette óók zo. Op dat adres moest ik mijn berichten voor
Malang bezorgen en daarvandaan kreeg ik weer enveloppen mee terug voor
Trauerbach. Welke boodschappen uitgewisseld werden wist ik niet, wilde ik voor
de veiligheid ook niet weten. Er zat ook wel eens geld in die enveloppen, dat
wist ik wel.
Tijdens gesprekken werd het me hoe langer hoe duidelijker dat er maar één chef
was en dat die chef Meelhuysen was. En uit alles kon je opmaken dat zijn directe
medewerkers officieren en onderofficieren waren, wat niemand overigens
verwonderde want die hadden uiteraard de meeste ervaring in organisatie en in
militaire handwerk.
In Malang moest ik ook wel eens bij ene meneer Dekker zijn, niet wetende dat dit
Ir. Koops Dekker was, een reserve-officier van het KNIL. Wat voor rol die
speelde in het geheel, weet ik niet; ik was immers alleen maar koerier tussen de
verschillende groepen, bezorgde brieven van de een naar de ander en soms dus ook
pakjes met geld.
Onderweg van Malang naar Pakisadji had ik ook wel eens iets te bezorgen bij de
familie Harten, Pim Harten. Die man kon volgens mijn mening onmogelijk in het
verzet zitten. Hij kwam bij mij namelijk over als een goedzak, een sul zelfs.
Later bleek hij echter een van de geweldigste verzetsmensen te zijn geweest. Die
is, zoals zovele anderen, spoorloos van de aardbodem verdwenen. Niemand weet wat
er met hem gebeurd is; officiële berichten zijn er niet en wie van ons die de
bersiaptijd heeft meegemaakt en daarna in militaire dienst was, heeft ooit de
tijd gehad om dat alles behoorlijk uit te zoeken? Je was het kwijt, je had het
allemaal achter je gelaten - dat dacht je althans. Tot het in 1954 ineens
allemaal weer naar boven kwam. Ik diende destijds in de Marinierskazerne in
Doorn, toen er op een goeie dag aan een kapitein en een sergeant-majoor van de
Mariniers de Verzetsster Oost Azië werd uitgereikt. Toen werden alle diep
weggestopte belevenissen weer losgewoeld en één van de vragen die dan ineens
naar boven komen drijven is: wat zou er gebeurd zijn met Trauerbach - oom Erbo,
zoals ik hem destijds noemde? Ik weet dat hij in maart ‘43 gearresteerd is, nog
voordat ikzelf gearresteerd was en tóen al hoorden we dat hij zelfmoord gepleegd
zou hebben. Het bericht in eerste instantie luidde dat hij tijdens het
transport, geboeid en wel uit de trein gesprongen was terwijl ze juist over een
spoorbrug reden. Een latere lezing is dat hij, als gevangene in een zijspan
gezeten, uit dat zijspan in een langs de weg gelegen ravijn gesprongen zou zijn.
En waar zijn mijn vrienden Socrates en Guttenberg gebleven? Van Jon Pandy weet
ik dat hij in Nederland is overleden; Piet Koreman is in 1945 in de gevangenis
van Soekoen Miskin overleden en Frans Paap is in Nederland gepensioneerd. Maar
de eerste twee? Leven zij nog en zo ja, waar Zijn zij?
En met alle respect voor de hoge onderscheidingen die officieren van het KNIL gekregen hebben: waar bleef de postume dapperheidsonderscheiding voor Trauerbach? En voor de sergeant-majoor Ferdinandus, Faber of Felix? Die is vanwege zijn subversieve acties en wegens zijn verzet bij zijn arrestatie waarbij twee Jappen gedood werden en enkele P.I.D. agenten gewond, onthoofd in Batavia. Heeft die postuum een onderscheiding gekregen? Nee. Waarom niet?
Meelhuysen werd
al in december 1942 gearresteerd, gelijktijdig met Pangemanang en Runtuwene en
daarmee was in de loop van de volgende maanden ook ons lot en dat van alle
anderen bezegeld. Niet dat de Jap iets van hen te weten zal zijn gekomen.
Meelhuysen pleegde al dadelijk na zijn gevangenneming zelfmoord door zich in
zijn cel te verhangen en de andere twee kennende, ben ik er ten diepste van
overtuigd dat ze niets losgelaten hebben.Het heeft hen letterlijk wel de kop
gekost: beiden zijn in Batavia onthoofd en liggen thans begraven op het Ereveld
Antjol.
Van de arrestatie van Ferdinandus, voor mij in mijn herinnering nog altijd
voortlevend als Felix Faber, was ik persoonlijk ooggetuige. Die dag had ik een
schriftelijke boodschap en moest daar in de Princesselaan nr. 22 zijn, zijn
nieuwe schuiladres, nadat Meelhuysen was gepakt.
Door de recente arrestaties leefden we in een extra spannende tijd en ik was dan
ook extra voorzichtig. Mijn intuïtie waarschuwde mij al bij aankomst in de
straat dat er iets niet in de haak was; ik voelde aan de hele sfeer dat er iets
mis was en toen ik mijn ogen nog eens goed de kost gaf viel het mij op dat
enkele mensen in die straat zich op een ongewone manier ge droegen; anders dan
anders zal ik maar zeggen. Dat bleek maar al te waar want vlak daarop werd er
een inval gedaan in het bewuste huis en werd Ferdinandus gearresteerd, niet
eerder echter dan nadat er een schoten wisseling had plaatsgevonden, waarbij hij
twee Jappen had neergeknald en enkele P.I.D. agenten had verwond. Hij liet zich
dus niet zo maar naar de slachtbank leiden. En ik reisde zo vlug mogelijk terug
naar Sriwidodo om de zaak te alarmeren.
Kort na mijn
aankomst verscheen er al een ijlbode van Trauerbach met bet verzoek om allemaal
dadelijk bij hem te komen. Daar hoorden we het ontstellende bericht dat we uit
elkaar moesten omdat de zaak in Soerabaja en in Malang was opgerold en dat er
een verrader in onze eigen groep zat.......
Zonder namen te willen noemen had ik eerlijk gezegd ooit al eens iemand op het
oog gehad, wat later bij de bevrijding nog bleek te kloppen ook omdat ik toen
van familieleden van me hoorde dat die persoon wel opgepakt was geweest maar dat
hij vrijwel onmiddellijk daarop weer vrij rond had kunnen lopen.
Een keihard bewijs heb ik echter nooit kunnen leveren dus noem ik geen namen.
Het blijft voor mij dus nog altijd dubieus of het tóch Jacobs is geweest die ons
verlinkt heeft of die ander. Dat zal wel onopgelost blijven, hoewel het me nog
bezighoudt.
Het was bij die gelegenheid dat Trauerbach nogmaals voorspelde dat hij - evenals
Meel- huysen - ingeval van arrestatie zelfmoord zou plegen om te voorkomen dat
hij onze namen en die van anderen zou noemen.
En zo is het ook gebeurd.
In maart ‘43
was het mijn beurt. Thuis, in Soerabaja, waar in die tijd mijn moeder op bed lag
met zware t.b.c., werd ik gearresteerd. Onze groep was uit elkaar gespat,
arrestaties waren aan de orde van de dog en van ene Soekiau kreeg ik te horen
dat, wanneer ik me niet bij de Jap zou melden, enzovoorts..........
Een dag later hoefde dat melden al niet meer want toen kwamen ze me halen, een
officier, twee onderofficieren en een paar agenten van de P.I.D., de Politieke
Inlichtingen Dienst.
Toen ik de auto in werd geduwd, zat daar al een Nederlander in, die zich bekend
maakte als Peeters, Frans Peeters. Nu nog vraag ik me steeds af: “wie is die
meneer Peeters geweest? Was dat misschien meneer Colijn van de Factorij, die
(naar ik achteraf hoorde) de verzetsgroep van het nodige geld voorzag?” Niemand
schijnt te weten wie Peeters is; nergens is er over hem wat te vinden. Ik weet
niet eens of je Peeters met twee of met één e moet schrijven. Het was een
Hollander, blond, blauwe ogen, een grote statige man. Tijdens zijn arrestatie
was hij al in elkaar geslagen want hij bloedde als een rund. Tegen mij zei hij
nog waarschuwend: “hou je rustig”.
We werden meteen afgevoerd naar de P.I.D., in de gevangenis Boeboetan, waar we ook weer uit elkaar zijn gegaan. Ik werd een cel ingeschopt die, normaal gesproken, voor drie man bestemd was maar waar nu een man of vijftien in zaten, allen criminelen, hoofdzakelijk Indonesiërs. Omdat ik de laatste was die er binnenkwam had ik gelukkig een plaatsje tegen de tralies, waar ik tenminste nog enige frisse lucht kreeg.
De cellen lagen aan een gang van een meter of twee breed en vanuit onze cel keken we tegen een blinde muur aan. Voorlangs de cellen liep een smal gootje dat vol zat met drek en urine want in de cellen - in de onze althans - was geen ton voor je behoefte omdat daar gewoonweg geen ruimte voor was. Als je dus wat moest doen, deed je dat ter plekke waar je zat. We moesten op onze hurken zitten. Staan mocht niet. Als je dat wel deed werd je onmiddellijk door een bewaker in elkaar geslagen en liggen was onmogelijk omdat er domweg geen ruimte voor was.
Als je dat op
je hurken zitten - dat djongkok - niet gewoon bent, dan begrijp je wel wat er
gebeurt. Binnen het uur zijn je bloedvaten afgeknepen en krijg je kramp in je
kuiten. Als je dus een paar dagen gedoemd bent om zo te zitten, nou ja.........
De eerste dag gebeurde er verder niets maar de tweede dag was ik aan de beurt
voor verhoor. Als kennismaking kreeg je al meteen een klap voor je kop van een
Indonesische agent, waarop de nodige klappen en schoppen nog volgden, iets wat
ik maar met de nodige moeite kon verkroppen want ik voelde dat als zo’n diepe
vernedering dat ik allicht wat boos gekeken zal hebben of misschien een afwerend
gebaar heb gemaakt, dat weef ik niet, maar het resultaat was dat ik toen
helemaal in elkaar werd geslagen.
Na deze
inleiding begon de ondervraging in het Maleis. Wat ik wist over het verzet. Na-
tuurlijk wist ik niks; ik was gewoon een leerling employé op een
koffieonderneming. Had nog nooit iets van verzet gemerkt of gehoord....
Dat ondervragen en het antwoorden in het Maleis was al een straf op zich. Nou
ben ik daar wel geboren en getogen, maar zoals dat in menig Indisch gezin de
gewoonte was, werd er bij ons thuis nooit Maleis gesproken, behalve tegen de
bedienden. Maleis als conversatie was - in ieder gevat bij ons thuis - gewoonweg
verboden. Wat dat vraag- en antwoordgedoe betreft, kwam ik dus ontzettend
gebrekkig over met mijn passermaleis11,
ook al omdat ik nu van mindere tegenover een meerdere moest praten en dat leidde
niet zelden tot misverstanden.
Twee maanden heb ik bij de P.I.D. gezeten en er kennisgemaakt met de meest
afschuwelijke methoden om je aan het praten te krijgen. Het hangen bijvoorbeeld.
Je moest dan op een bank of op een tafel gaan staan met je handen op je rug
gebonden. Daaraan was een touw bevestigd dat via een katrol aan de zoldering,
dan de muur werd vastgemaakt, net als de ringen in een gymnastiekzaal. En als je
dan niet vlot genoeg datgene bekende wat ze graag wilden horen, dan werd de bank
of de tafel onder je vandaan geschopt waardoor je aan dat touw kwam te hangen.
Terwijl je zo hing, wat natuurlijk ontzettend veel pijn deed, vooral aan je
polsen en je armen, dan gebeurde het ook wel dat de heren weggingen om te eten
of zo. De eerste keer dat me dat overkwam, zag ik nog kans om me via het bekende
vogelnestje terug te draaien. Ik had namelijk altijd veel aan turnen gedaan.
Maar ik zag geen kans me weer in de oorspronkelijke hangtoestand terug te
draaien waarin ze me hadden achtergelaten zodat er weer een reden temeer was om
me nog eens extra onder handen te nemen.
De folteringen werden hoofdzakelijk uitgevoerd door de Indonesische agenten, de
zogenaamde tolken. De Jap voelde zich misschien te goed voor dat eenvoudige
beulswerk, dat weet ik niet, maar al zulk werk werd met graagte overgenomen door
de Indonesiërs. Die traden dus eigenlijk nog smeriger op dan de Jappen zelf,
niet alleen om je tot een bekentenis te dwingen maar naar mijn mening ook om in
een goed blaadje bij de Jap te komen, zo van: kijk eens hoe goed ik wel ben. Er
zal ook wel een zekere machtswellust, een zekere wraakneming tegenover de
Europeaan, een voorname rol hebben gespeeld, het verwerken van oud-zeer.
Na die twee maanden gingen we naar de gevangenis Lowokwaroe in Malang, die
gerund werd door de Kenpetai. Daar kreeg je, om te beginnen, dagelijks
terugkerend een pak op je donder, waarna je - zeker één keer in de week - naar
de verhoorkamer ging. Dat was een soort dierenhok met een zomer- en een winter-
verblijf. Die hokken hadden een betonnen vloer waarop een laagje grind was
gestrooid waar je op moest knielen. Om de zaak nog wat erger te maken kreeg je
af en toe een driekantige ijzeren stang in je knieholten geduwd waar dan liefst
een paar agenten zwaar op gingen leunen. Hoe meer je afzag, hoe meer ze zich
vermaakten en ook de toekijkende Jappen genoten er zichtbaar van.
Dat was één methode.
Een andere was electrocutie. Daar ben ik een tijdlang totaal door uitgeschakeld
geweest. Twee polen vanaf een generator, waarvan één pool aan de geslachtsdelen
werd bevestigd en de andere op je navel gedrukt. Dan werd je op je knieën geduwd
en kreeg eerst nog een puts water over je heen. Dan werd de generator aangezet.
Ze zorgden er wel voor dat je er niet aan dood ging - die lol gunden ze je niet
eens - dus het voltage zal wel hoog geweest zijn, maar de ampère laag. Het is
niet te beschrijven wat die stroomschokken in je lichaam teweeg brengen........
Dan was er nog
de verdrinkingsproef. Die kon je op twee manieren ondergaan. De eerste manier
was in een tot de rand gevulde regenton. Daar werd je ingedompeld zodat het
water over de rand liep, vervolgens ging het deksel erop en daar ging dan één
van je beulen opzitten tot je gestikt was. Of bijna gestikt. Dat hing er vanaf
wat ze verder met je van plan waren. De tweede manier was om je een waterslang
in je mond te duwen en dan de kraan open te draaien tot je als een ballon opzwol
en je van benauwdheid niet meer wist waar je was of wie je was. Maar mijn tijd
was kennelijk nog niet gekomen.
Dan was er nog het ophangen aan een boom, liefst ondersteboven en soms naakt,
dit tot grote hilariteit van de vanuit hun cellen toekijkende criminelen. Die
mochten zelfs vaak even los om je te komen sarren. Echt martelen mochten ze
evenwel niet. Dat was aan de deskundigen voorbehouden.
Wat nóg erger was, was dat ze dit ook met vrouwen uithaalden die daar gevangen
zaten. Die ondergingen hetzelfde en hingen daar soms ook naakt en ondersteboven
aan een boom. Kun je nagaan wat die allemaal moesten doorstaan.
Tenslotte werd ik veroordeeld. Dat moet in oktober 1943 zijn geweest. Je raakte
het begrip van tijd een beetje kwijt.
Op een dag werden we met een man of vijftig getransporteerd naar een gebouw in
de stad. Ik week nóg niet welk gebouw dat is geweest. We zaten daar dus met z’n
vijftigen en op een gegeven moment kwam er een stel Jappen binnen. Ze zagen er
zó netjes uit in hun donkere uniformen dat ik waarachtig met m’n verwarde brein
even nog dacht dat het Amerikanen waren maar ik hoefde alleen maar naar die
koppen te kijken om weer tot de werkelijkheid te worden teruggeroepen.
Het vonnis voor de eerste vijf van ons luidde: hoekoem mati, oftewel de
doodstraf. Ik kende die veroordeelden niet eens, het waren vreemden voor mij. De
enigen die ik in die gevange nis kende waren Karel Oey, die links van me in een
cel zat en waar ik mee op dezelfde school had gezeten en die inmiddels medisch
student was geworden; verder vooraan in het blok mevrouw Altmann, die “de engel”
werd genoemd vanwege haar knappe verschijning en dan nog mevrouw Meelhuysen.
Voor de rest, als ik naar of van de verhoorkamer de cellen passeerde, zag ik
natuurlijk wel mensen zitten maar die kende ik niet. Er waren in ieder geval
geen mensen uit mijn groep bij..
Mijn vonnis luidde: dertig jaar gevangenisstraf en ik was er zielsgelukkig mee
dat ik “tigapoeloe tahoen” hoorde uitspreken in plaats van hoekoem mati. Alle
straffen moeten van tevoren al vastgestaan hebben want er was geen
tenlastelegging, geen verhoor, geen verdediging, niks anders dan het uitspreken
van de vonnissen. Je naam werd - helemaal verbasterd, ik heette Poetaraika of
zoiets - afgeroepen en onmiddellijk daarop volgde het vonnis. Een schijnproces
dus in optima forma. Zelfs als jongeman van achttien jaar vroeg ik mij al af:
wat is dit toch voor een circus?
Vrijspraak was er niet bij; je móest veroordeeld worden. Dat ging in een
verbasterd Maleis wat praktisch onverstaanbaar was. Zo werd dus iedereen op zijn
beurt veroordeeld.
Meteen na de uitspraak werden we teruggebracht naar Lowokwaroe, maar in plaats
van bij de politieke delinquenten, kwam ik nu te recht bij de criminelen, in een
cel voor veertig man, samen met onder andere mijn medeveroordeelden Ruud Mahieu,
Loekie Mulder - een Hollandse jongen, Ferdi Nahan en nog een Menadonese jongen
Cherry, waarvan ik de achternaam kwijt ben. We waren dus met zijn vijven,
ex-politieke delinquenten. Evenals onze criminele medegevangen werden we vanaf
toen tewerkgesteld in de weverij. Van hennep moesten we stof maken voor
suikerzakken. Dat was al een hele vooruitgang. Je had wat te doen, je werkte
buiten en je was van die verschrikkelijke verhoren of.
Er werden taken gesteld: minder dan vier meter weven betekende halvering van je
portie eten, vier meter betekende “gewone portie” en als je meer dan vier meter
kon halen, dan kreeg je wat extra’s. Binnen de kortste keren hadden we het vak
onder de knie en haalden dus at vlug veel meer dan die vier meter.
De voeding bestond voornamelijk uit gekookte maïs, de extra voeding idem. Je
extraatje betekende dus dat je wat meer maagvulling kreeg zodat je hongergevoel
wat minder werd en dat was al heel wat.
Wat me nog goed
is bijgebleven uit die periode is, dat wanneer je gelucht werd, dan ging
iedereen meteen op jacht naar wandluizen en klereluizen. Zo vlug mogelijk trok
je je kleren uit, keerde ze snel binnenstebuiten, legde ze op het hete beton in
de zon en draaide ze na verloop van enkele minuten om, waarna het versufte
ongedierte, dat in de naden was gekropen, onschadelijk werd gemaakt door er met
je aluminium pannetje over heen en weer te wrijven. En dat herhaalde zich iedere
dag opnieuw, want na een half uurtje je ontluisde kleren weer gedragen te
hebben, zat je er al weer onder, mede dankzij je medegevangenen die er blijkbaar
geen hinder van hadden en het dus zo maar lieten.
Dat ontluis- en luchtuurtje bood tevens de gelegenheid om te mandiën12.
We kregen dan de brandslang op ons gericht en dat was het dan. Hoewel er toch
altijd nog die afstand bleef bestaan tussen ons, Europeanen en de Indonesische
gevangenen, was er ooit een boven ons gestelde mandoer13
die kennelijk verliefd op me werd en dacht mij tot zijn schandknaap te kunnen
promoveren. Jammer echter voor hem want ik heb hem, bij zijn toenadering, voor
zijn kop geslagen, wat goed hielp, maar ook goed fout was want ik kreeg de hele
meute tegen me. Dankzij de hoofdcipier, ene Matulessy, werd de zaak echter
gelukkig gesust. Een jaar later werd deze zelfde Matulessy door de Jap
gearresteerd omdat hij zich aan ondergrondse activiteiten bleek schuldig te
maken, waarvoor hij dan ook prompt geëxecuteerd is.
Denkelijk omdat
we nog minderjarig waren, werden we na een tijdje van Malang overge plaatst naar
Klahak, een plaatsje halverwege Probolinggo en Loemadjang, waar een
opvoedingsgesticht van Pro Juventute stond, een cirkelvormig gebouw waarin zes
grote slaapzalen met daartussenin allerlei bijgebouwen. De jappencommandant -
daar directeur geheten - was een econoom, een van de uitzonderingen, want hij
bleek een goeie Jap, die niet goed wist wat hij met ons aan moest. Wij met ons
vijven kregen al vlug speciale baantjes omdat hij blijkbaar gevoelig was voor
ons opleidingsniveau, dat nu eenmaal stukken hoger lag dan van alle anderen. Die
anderen waren jeugdige inheemse misdadigertjes. Zelfs het gevangenispersoneel
keek tegen ons op. We begonnen er met landarbeid te doen, uitrukkende dienst dus
met de patjol14
over de schouder; maar niet te lange tijd daarna werden we er al
tussenuitgehaald. Ikzelf werd djongos15
bij de directeur, wat vanzelfsprekend allerlei voordelen opleverde: geen
gevangeniseten meer, mezelf en mijn kleren wassen met zeep en genieten van een
zekere mate van vrijheid, in ieder geval meer vrijheid dan de andere gevangenen.
Mahieu en Mulder kregen een baan in de machinekamer waar de electriciteit werd
opgewekt en voor ons gevoel waren we in de hemel terechtgekomen. Een leven als
van een luis op een zeer hoofd.
Zo moesten dagelijks om zes uur alle slaapzalen al worden afgesloten en ik kreeg
het voorrecht om dat te mogen doen. Terwijl iedereen dus achter slot en grendel
ging (behalve Mahieu en Mulder, die het op dat moment altijd erg druk hadden in
de machinekamer) liep ik dan nog vrij rond.
Wat minder
prettig was, was een briefkaart van mijn vader, die ik in december ontving en
waarin hij schreef dat mijn moeder was overleden.
De directeur was een fervent sumo beoefenaar, een soort Japans worstelen, en
daarvoor had hij een aparte ruimte laten inrichten, waarin een verhoging, een
soort ring, met een verende vloer. Het enige wat er aan ontbrak was echter een
echte tegenstander want wie durfde het in
zijn hoofd
te halen om de
jappencommandant te
vloeren?
Ik dus, in al
mijn jeugdige
onbezonnenheid. Behalve
aan gymnastiek had
ik in mijn school-
. jaren ook
nogal veel aan
judo gedaan.
Onze Mulo grensde
namelijk toevallig
aan een Japanse
sportschool en daar
had ik judolessen gevolgd.
Dat was overigens
geen idee van
mijzelf geweest
maar van mijn
vader, omdat ik lichamelijk
nogal bescheiden was uitgevallen en ik
altijd van iedereen
op m’n donder
kreeg, zodoende.
Toen
die Jap mij -
bij gebrek aan
beter -
eens “vroeg“ om hem
partij te
geven, heb ik daar,
eerst nog wat
aarzelend, aan
toegegeven, maar eenmaal aan
het vechten, heb ik
hem, zonder dat dat
nou overigens direct
in mijn bedoeling lag, van de
mat afgeveegd. In
plaats van de verwachte
represaille volgde
er, tot mijn niet
geringe opluchting, echter
een beloning, blijkbaar
omdat hij
nou eindelijk een
tegenstander had gevonden die partij
durfde te geven. Vanaf
die dag kreeg ik, bij mijn toch al niet karige
rantsoen, nog eens extra voeding, mocht na
het afsluiten van de
zalen vrij
gebruik maken van de
turntoestellen, die in de tuin stonden, en
stak iedereen zo
langzamerhand de ogen
uit, zelfs de
mantri's.
Na vier maanden was het
weer uit met de
pret: we werden
overgeplaatst naar
Soekoen Mis-kin, de
gevangenis in Bandoeng. Na een
treinreis van enkele
dagen kwamen we daar
aan.
We kwamen er terecht in het oostblok, waar ik een cel moest delen met twee man, een Ambonees KNIL-sergeant en Europees sergeant Bert Fokkema.
Voor mijn begrip was het een ruime cel van pakweg drie bij drie meter. Wat ik mij nog van Bert Fokkema herinner is dat hij zwaar asthmatisch was, vreselijk benauwde hoestbuien had en dat ik daar tot de ontdekking kwam dat ik een soort genezende handen had. Want als ik tijdens zijn benauwdheden zijn hand vasthield, werd hij daar rustig van en kon hij slapen. Wat er van die twee naderhand geworden is, weet ik niet.
In Soekoen
Miskin ontmoette ik
Peeters weer, die tegelijk met mij in
Soerabaja gearresteerd
was. Hij zat alleen
in een cel in het westblok, was
doodziek en had geen wil
meer om nog verder
te leven. Als we gelucht
werden mocht ik naar hem toe om hem nog wat te
verzorgen. „Oom“ noemde
ik hem, en trachtte hem wat op te
beuren en hem moed
in te spreken. 't Was
allemaal tevergeefs, hij had
zichzelf al
afgeschreven. "Ik
kom hier niet meer uit"
zei hij steeds en
daar berustte hij
helemaal in.
"Blijf knokken,
blijf leven, het kan niet lang meer
duren" probeerde ik hem te
bemoedigen, maar wat ik ook zei
of wat ik ook deed,
het heeft niet geholpen.
Hij weigerde zelfs
te eten en bewaarde
zijn portie voor mij.
Op mijn beurt weigerde ik dat weer; het
zou me in mijn strot
zijn blijven steken.
Het enige waar ik hem nog
blij mee kon maken
was met een strootje, dat ik van een
lempeng16
voor hem rolde in een
maïsblad, een klobot17.
Niet lang daarna heb ik hem
voorgoed de ogen moeten
sluiten; "oom" had
het definitief opgegeven.
Zoals zovelen roemloos,
naamloos verdwenen ...... Voor mij een man waar ik
met groot respect
aan terugdenk.
Wie ook in Soekoen Miskin zat was
Schardijn, de man bij wie ik in
Malang regelmatig
mijn berichten had moeten bezorgen en
afhalen en die
Pangemanang en Runtuwene al die
tijd onderdak
geboden had. Ook Piet
Koreman zat er. Wie ik er niet aantrof waren
Socrates, Guttenberg
en John Pandy. Waar die
verhoord zijn geworden of wat voor straf
ze hebben
gekregen, weet ik niet. Tot
ongeveer 6 tot 7 maanden voor de Japanse
capitulatie heb ik daar in Soekoen Miskin
gezeten. Piet Koreman is er
gestorven, die heb ik nog
helpen begraven. Loek
Mulder is er ook
overleden, maar dat is gebeurd
nadat ik al verplaatst
was naar Cheribon. Nog een paar
namen van medegevangenen
die ik daar leerde kennen zijn:
Wim Wijting, die er dienst deed als
tandarts en nu in
Enschede woont.
Frans Berting van de
groep Meelhuysen, kapitein
Ir. Vrijburg en
Pattyselano, een oom
van mij, die op 22 juli
j.l. zijn 86e verjaardag hier in Holland
heeft gevierd.
Aanvankelijk werd ik aangewezen om te
gaan werken als smid,
als wapensmid nog wel.
Smeden kon ik natuurlijk
niet maar toen moest ik,
samen met anderen, van staven
ijzer samoerai-zwaarden
maken. Dat wilde mij maar niet luk-ken.
Voordat ik het ijzer uit het
vuur had gehaald was
het meestal al zowat
weggesmolten. Het gevolg
was slaag en daarna,
om verdere schade te voorkomen, de
smidse uitgegooid.
Toen werd ik geplaatst in de houtzagerij, waar ik, met nog een ander - één boven, één onder - uit boomstammen van 1½ tot 2 meter dik, planken moest zagen. Dat was je reinste beulswerk, vooral als je er bij bedenkt dat je dat op een zo goed als lege maag moest doen: 's morgens een sigarettentinnetje gekookte maïs, 's middags eenzelfde portie rijst en 's avonds nog zoiets. En je moest al goed ziek zijn - en dat was ik gelukkig niet - om niet te hoeven werken.
Tot mijn grote geluk kon ik niet recht zagen, iets dat voor planken een eerste vereiste is. Toen hebben ze me maar aangesteld als doodgraver, dat vereiste geen speciale kundigheden of diploma's. Mijn werkterrein kwam daardoor buiten de gevangenismuren te liggen, op een veldje tussen de sawah's18, dat evenwel nog tot het gevangenisterrein behoorde.
In het begin was het nog een makkie: één dode in de week, twee in de maand of zo, maar de laatste maanden waren het wel eens een paar man per dag. Dan was het hard werken want zo'n grafkuil moet minstens twee meter diep zijn. Op het laatst was dat graven niet een aangelegenheid meer waar nog een plechtig tintje aan gegeven werd, maar veranderde eigenlijk in een nogal onesthetische bezigheid. De doden lagen toen al niet meer in kisten, zoals in het begin - en later toen het hout op was in gevlochten bamboematten, een soort gedek -maar gewoon, helemaal naakt soms, op een tandoe19, waar ze, zeg maar vanaf gerold werden.
Dat baantje bracht ook zijn voordelen mee. Dankzij een Spartaanse opvoeding die ik thuis, van mijn vader vooral, had ondergaan, kende ik een heleboel zaken die van nut waren om te overleven. Met hem had ik al heel vroeg mee op de varkensjacht gemogen, waarbij ik de kunst had afgekeken hoe zo'n beest werd geslacht en ontleed. Maar ook had ik op die tochten een heleboel over planten geleerd die al of niet eetbaar waren, leerde ik vissen en hoe ik andere beesten moest vangen en al zulke nuttige zaken al meer. Toen ik daar in Soekoen Miskin als doodgraver tussen de sawah's zat, heb ik, dankzij die vroegere lessen, mijn menu dikwijls kunnen aanvullen met veldmuizen en kikkers; ik dreef er zelfs
handel in. Om aan veldmuizen te komen zocht ik in de taluds de holletjes op, sloot de ingangen en uitgangen af met natte klei en rookte ze uit met vochtig padistro. Daarna groef ik ze uit, stroopte ze en maakte ze verder gereed voor de consumptie. Om ze te bereiden had je niet eens boter of vet nodig want ze smoorden in hun eigen vet gaar.
Kikkers vangen was geen kunst, dat kan iedereen.
Ook kon ik altijd wel aan wilde postelein (krokot) komen of aan kangkoeng20, wat ik ter plaatse in een oud conservenblik kookte in het water van een naburig stroompje. Dat alles lukte natuurlijk niet elke dag. Soms had ik het te druk rnet graven maar het hing ook af van de goede bui van mijn bewaker, de hantjo. Daar was bijvoorbeeld ene Staal, een gewezen politie-inspecteur, of Mackeray, een moordenaar, of Blauw, ook een gewezen politie-officier, alle drie al voor de oorlog tot levenslang veroordeeld en nu bij de Jap verheven tot hantjo. Als je er daar een van trof moest je het maar riskeren. Volgens de verhalen die de ronde deden, had Blauw zijn vrouw een keer op heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde en had haar daarop doodgeschoten, iets wat in onze tijd ook al niet mocht. Mackeray was gewoon gek, zonder meer en Staal idem dito. Bij het binnen brengen van mijn buit, wat dus smokkelen heette, werd ik ook wel eens een enkele keer betrapt. De straf die daarop volgde deed me echter al niks meer. Het smokkelen was immers een kwestie van overleven of niet, niet alleen voor mijzelf maar evengoed voor sommige van mijn medegevangenen. Iedereen haakte immers naar een stukje vlees, al was het dan van een veldmuis of een kikker. Soms werd ik voor straf aan de schandpaal gezet of gehangen, een andere keer werd ik in een donkere cel opgesloten of moest ik bakstenen tot gruis kloppen. Maar daar was ik inmiddels al aardig immuun voor geworden, ook voor een pak slaag.
Een keer heb ik
het echter spaansbenauwd
gehad. Dat was toen ik bij Mackeray in de cel werd
gestopt. Behalve dat die knotsgek was, was het
nog een homo ook, al of niet in de gevangenis
geworden. En om het nog erger te maken:
doordat hij van de
Jap mocht sporten, was hij nog oersterk ook;
iedere dag trainde
hij volop met gewichten
en met halters die hij in zijn cel had.
Toen werd ik voor straf een keer bij hem in de cel opgesloten, ik mager als een
lat en als de dood
dat hij me zou misbruiken. Van angst
dook ik meteen onder
de kolong21
van zijn be-tonnen krib
en liet me daarna niet meer zien. Gelukkig liet
hij me met rust;
waarschijnlijk had hij een goeie bui die dag,
ofwel ik was niet
aantrekkelijk genoeg, in
ieder geval
heeft hij me niet
aangeraakt. Dat is bij anderen, die bij hem werden opgesloten wel eens
slechter afgelopen.
Toen die zich verweerden
heeft hij ze gewoonweg de
kop tegen de tralies
stukgeslagen.
Als die vent me op het veld betrapt had, was ik dus de pineut geweest. Zo is er eens een Menadonees door Staal, die andere gek, op smokkelen betrapt, waarop deze hem met z'n rotanstok dusdanig afgetuigd heeft dat die man er later aan overleden is. Het was kennelijk nog steeds mijn tijd niet en waarschijnlijk vanwege mijn jeugd lieten ze me in het algemeen mijn gang maar gaan. Althans dat idee heb ik later gekregen. Mijn baan ben ik er nooit door kwijtgeraakt maar ja, ze konden me eigenlijk nergens anders voor gebruiken; ik deugde alleen om kuilen te graven.
Die drie, Staal, Mackeray en Blauw zijn na de Japanse capitulatie door de gevangenen van Soekoen Miskin gelyncht; alle drie zijn ze eendrachtig en zonder pardon doodgeslagen. Ondanks alle risico's en af en toe een pak slaag voelde ik me toch betrekkelijk gelukkig; ik zat de hele dag in de buitenlucht en had betrekkelijk veel vrijheid want de hantjo’s waren natuurlijk niet allemaal even ijverig en deden ook wel eens een tukje. Kwam ik, na gedane arbeid, terug in mijn cel, dan kwam ik in een schone ruimte want daar zorgden mijn twee celgenoten voor; er was dan geveegd en m'n tikarmatje22 werd regelmatig uitgeklopt En vaak had ik voor hen een extraatje bij me en zodoende hadden we het zo slecht nog niet, vergleken bij Malang en Soerabaja. Maar ook hier kwam een eind aan doordat we onverwacht op transport werden gesteld naar Cheribon. Dat zal omstreeks januari ‘45 geweest zijn.
In de Cheribonse gevangenis zaten hoofdzakelijk Chinese politieke delinquenten, afkomstig uit Cheribon zelf, uit Batavia of uit Semarang. Daar heb ik ook de onderluitenant Groothuizen ontmoet. Daar in Cheribon moest weer volop gewerkt worden aan de weefgetouwen, een vak dat ik al vanuit Malang kende. Als we niet aan het werk waren, zaten we met z'n veertigen opgesloten in een cel. Dit keer had ik pech. Als laatstbinnenkomende kreeg ik nu geen plaatsje bij de tralies, maar achterin, vlak naast de poepton. Die ton was boven de riolering geplaatst, die echter een veel te geringe capaciteit had, zodat die bij elke regenbui het water niet kon verwerken en alle smurrie naar binnen liep. Maar voor de smurrie uit verschenen dan eerst hele horden met kakkerlakken en ander ongedierte. Het was daar een ramp. Een man, een Indischman waarvan ik de naam niet meer weet, kon er op den duur blijkbaar niet meer tegen. Bij het wakker worden op een morgen, bleek hij zich met een riem om de nek aan de tralies verhangen te hebben.
Het was in die
gevangenis, dat we na zo'n maand of zeven vernamen dat de Jap gecapituleerd had.
Niet op 15 augustus hoorden we dat maar ver daarna. We hadden er op de een of
andere manier al een vermoeden van, maar dorsten er niet openlijk over te
praten, bang voor represailles, bang zelfs voor executie, want zo langzamerhand
wisten we wel hoe meedogenloos en wraakzuchtig de Jap was.
Maar toen Lady Mountbatten op een goeie dag met een gezelschap officieren
verscheen, konden zelfs de Jappen hun nederlaag niet meer geheim houden. Het
betekende voor ons echter nog steeds geen vrijheid, daar was de politieke
situatie niet naar, maar de Jap werd ineens wel gul, zó gul zelfs dat er kort na
dat hoge bezoek, per cel een Yorkshirevarken van zo'n 125 kilo werd verstrekt.
Niet in geslachte vorm natuurlijk, maar levend. We moesten zelf maar zien hoe
het beest eetbaar in onze pannetjes kwam. Dat was niet zo eenvoudig want daar
heb je in de eerste plaats een behoorlijk slagersmes voor nodig én slachtruimte
en een boel kokend water. Maar ook alle andere cellen hadden dat nodig, zodat er
begrijpelijk de nodige ruzie en zelfs knokpartijen ontstonden. Messen waren er
sowieso niet; voor de ruimte moest je trekken en duwen en aan een keteltje
kokend water was nog wel te komen, maar niet aan zo'n grote hoeveelheid, om zo'n
groot beest behoorlijk te kunnen ontharen. Ik gaf me maar op om het beest te
slachten; die kunst had ik tenslotte van mijn vader afgekeken. Iemand wist me
een soort aanzetstaal te bezorgen en daar heb ik het varken mee gestoken. Eerst
drie keer mis natuurlijk, aan gegil geen gebrek, maar de vierde keer was het
raak, recht in het hart. Geen verheffend schouwspel, ik weet het, maar nood
breekt alle wetten. We hadden honger. Over het slachten zelf zal ik maar niets
zeggen. Daar kwam ik niet eens aan toe. Iedereen die een scherp voorwerp vond
wat ook maar op een mes leek, sneed of kerfde voor zichzelf een stuk vlees van
het varken af en begon het onmiddellijk op een primitieve manier te roosteren;
zodra het begon te kleuren werd er al van gegeten, zo zullen we het maar noemen,
fatsoenshalve. Veel te haastig natuurlijk want het vlees was nog meer dan half
rauw en dat hebben we de dagen daarop geweten. Pas in september, ik geloof de
twintigste, werden we naar het veilige Bandoeng overgebracht, het veilige
Bandoeng, waar gemoord, geroofd, ontvoerd, verminkt en gebrandschat werd: het
bevrijdingsfeest in Indië. Maar dat werd weer een heel ander hoofdstuk, een
hoofdstuk dat ook wel nooit begrepen zal worden door mensen die samen met hun
bevrijders (niet. dus in Indië) om de meiboom gedanst hebben.
Naschrift
Met dit verhaal, opgetekend uit de mond van Reinaud Poeteray, is weer een stukje Indische verzetsgeschiedenis in het openbaar gekomen. Fris van de lever, zonder geheimzinnigdoenerij, zonder mooipraterij, zonder doekjes erom. De misrekening van de deelnemers was wel erg groot, de tol die betaald is, was wel erg zwaar. Wat de Verteller bewogen heeft om ons dit verhaal, na zoveel jaren toe te vertrouwen, is dat hij de erkenning mist (en vraagt) voor de verzetsdaden van Erbo Trauerbach en anderen. Hij vraagt zich af of het geen nalatigheid is geweest van Het Indisch Verzet om verzetsmensen als Trauerbach, Ferdinandus, Pangemanang, Runtuwene en zovele anderen te vergeten voor te dragen voor een (postume) dapperheidsonderscheiding. Of waren hun daden te gering in vergelijking met anderen? Als er -tot slot- ooit een oeroude Hollandse spreuk zijn ware betekenis heeft gekregen, dan is het wel deze, geldend voor het hele Indische verzet:
MEN TELLE D'UITSLAG NIET MAAR TEL' HET DOEL ALLEEN.
Uw Chroniqueur Piet Schelland

Reinaud Poetiray (†1998) bij het graf van M Ferdinandus
©Reinaud, C.Ph.Poetiray &: P.Schelland (Chroniqueur)
( Reinaud Poutiray was
Ridder in de Orde van Oranje Nassau en
drager van het Verzets Herdenkingskruis )
Origineel verschenen in STABELAN, 16e jaargang no1 – 31 Augustus 1989
Redacteur: P.van Meel
Notities
0 kleine rivier
1 registratie
2 Japanse Militaire Politie
3 'Djojobojo-profetie'. Volgens deze profetie zou een witte buffel komen om over Java te regeren. Deze zou lange tijd aanblijven maar uiteindelijk worden opgevolgd door een gele aap. De gele aap zou slechts aan de macht zijn voor zolang een maïsplant leeft. Dan, na een periode van chaos, zou Java weer door Javanen worden geregeerd. De profetie voorspelde ook de komst van een Messias: een Ratoe Adil (rechtvaardige heerser). Voor de Indonesiërs symboliseerde de witte buffel de Nederlanders en de gele aap de Japanners. In Soekarno zagen zij de Ratoe Adil.
Zie ook http://www.icon.co.za/~pjclarke/miss03.html
Zie ook Astrologische Wereldschouw Vol.15 No.7 July 1955
4 gewapende roversbende
5 guesthouse
6 maïs
7 gerucht
8 dorpshoofd
9 dorp
10 persoon
11 zeer eenvoudig maleis
12 baden Indonesische stijl
13 opzichter
14 spade
15 huisjongen
16 plak tabak
17 vlies rondom de maïskolf, gebruikt als sigarettenpapier
18 rijstvelden
19 draagbaar
20 groente (eetbare waterwinde)
21 ruimte onder iets, vb tafel, stoel etc.
22 gevlochten matje