Marjolijn van den Enk-Hanewinkel
Peter Schreuder
Op 21 december 1942 fietste Wil Meelhuysen, kapitein-vlieger van de Militaire Luchtvaart van het KNIL en een van de leiders van de ondergrondse beweging in Oost-Java, voor de laatste keer door Soerabaja. Hij was op weg naar het hoofdbureau van politie op het Paradeplein, om zich bij de PID aan te geven. Met deze daad hoopte hij mevrouw Berg, een naaste medewerkster die de dag ervoor was gearresteerd, vrij te krijgcn. Mevrouw Berg werd uiteraard niet vrijgelaten. In de daaropvolgende nacht zou Meelhuysen zelfmoord plegen. Nadat een poging zich door het innemen van cyaankali van het leven te beroven was mislukt, wist hij zich ‘s nachts aan de tralies van zijn cel in de Werfstraat-gevangenis op te hangen.
Wat ging er aan deze dag vooraf? Wat had Meelhuysen tot zijn beslissing gedreven? In deze bijdrage wordt geprobeerd een beeld te schetsen van het netwerk van groepjes en personen, dat kan worden aangeduid als de organisatie-Meelhuysen. De naam van Meelhuysen is aan deze organisatie te verbinden, omdat hij het was die de vele afzonderlijk opkomende verzetsinitiatieven in en om Soerabaja trachtte te bundelen in één grote actie met een duidelijk doel.
Het is geen eenvoudige opgave een beeld te schetsen van de organisatie Meelhuysen. De Temporaire Krijgsraad waagde zich hier in ‘47 al niet aan, toen zij uitspraak deed in de zaak tegen een aantal Japanners die bij de Kenpeitai in Soerabaja werkzaam waren geweest. De overweging was dat men geen duidelijk beeld van de organisatie had kunnen krijgen omdat ‘alle mededelingen daarover onvolledig, vaag en verward zijn.1 Het is dan ook niet de bedoeling van deze bijdrage een volledige beschrijving te geven van hetgeen zich in het eerste bezettingsjaar in Soerabaja heeft afgespeeld. Eerder zal getracht worden het beeld te schetsen aan de hand van de ervaringen van een der hoofdrolspeelsters, Johanna Wilhelmina Berg-Butteweg. Zij was het tenslotte om wille van wie Meelhuysen zich bij de PID meldde.


Een doorsnee Indische huisvrouw?
Sok Berg, zoals mevrouw Berg-Butteweg door intimi werd genoemd, was ten tijde van de Japanse aanval op Nederlands-Indië 46 jaar oud. Zij was een kleine tengere vrouw en had grote, ogen en lichtbruin krullend haar. Hoewel zij van Nederlands-Indische afkomst was, was haar huidskleur opvallend licht. In 1916 trouwde zij met Frederik Berg, die toen aan het begin stond van een carrière bij het departement van Waterstaat. Het paar kreeg drie kinderen: twee zonen en een dochter. Door de herhaalde overplaatsingen van Frederik Berg woonde het gezin in verschillende kleinere en grotere plaatsen in Oost-Java. Enkele jaren voor het uitbreken van de oorlog verhuisden zij naar Soerabaja. Omdat Frederik Berg het inmiddels tot hoofdopzichter bij Openbare Werken had gebracht en een goed salaris verdiende, kon een ruime woning betrokken worden. Het huis Tegalsari 78, op de hoek met Kedongsari, was gelegen in een lommerrijke buurt voor welgestelden. Het had open veranda’s omgeven door een grote tuin met bougainvillae’s en een mangga-boom. Volgens dochter Mildred vrouw was Sok Berg geen Zij was wars van het gezapige leventje dat velen er op na hielden, gevuld als dat was met hobbies als koken, borduren en het kweken van orchideeën. Zij had altijd tandheelkunde willen studeren, maar zij had deze ambitie na haar huwelijk over boord moeten zetten. Naast het eigen huishouden waarin zij niet alles aan de bedienden overliet, ontplooide zij echter nog activiteiten buitenshuis. In de jaren twintig bijvoorbeeld assisteerde zij een huisarts in Malang bij bevallingen. Door de omgang met de vrouwen van Indonesische notabelen tijdens haar verblijf in kleine plaatsen in het binnenland beheerste Sok Berg zowel Maleis als hoog- en laag-Javaans. Zij was zeer geïnteresseerd in de Indonesische cultuur. Verder stond zij op zeer goede voet met mevrouw Soebroto, echtgenote van de burgemeester van Soerabaja en kleindochter van de vorst van Soerakarta. De zus van mevrouw Soebroto woonde jarenlang bij de familie Berg in huis en werd door Sok Berg als een eigen dochter behandeld.
Sok Berg toonde zich altijd betrokken bij de zwakkeren uit de koloniale samenleving. In Soerabaja deed zij aan individuele hulpverlening en liefdadigheid.2 Een aantal arme gezinnen van Indische Nederlanders, maar ook die van Nederlandse oud-militairen, stond zij met raad en daad terzijde. Een speciale band voelde zij met de Molukkers.3
Na het uitbreken van de oorlog
De mobilisatie in december 1941 ging niet onopgemerkt aan huize Berg voorbij. Frederik Berg werd ingedeeld bij een vernielingscorps en de twee zonen werden opgeroepen voor militaire dienst. Sok Berg meldde zich als vrijwilligster bij de Luchtbeschermingsdienst, de LBD. Zij werd aangesteld als telefoniste op het hoofdkwartier van de LBD, schuin tegenover haar huis aan Tegalsari. Zij onderhield de verbindingen met de waarnemingsposten in de stad en daarbuiten. Zij deed dit in nauwe samenwerking met J.F. van Hutten, beter bekend als Pa van Hutten, de commandant van de buitenposten.
De eerste maanden van de oorlog verstreken zonder dat er veel gebeurde. Hoewel men zich bewust was van de oorlogsdreiging, had men niet het idee dat het werkelijk tot een aanval op Java zou komen. De oorlogshandelingen vonden plaats op duizenden kilometers afstand en het leven van alledag ging min of meer zijn gewone gang. Bij de LBD doodde men de tijd met oefeningen. Na de oorlog zou Sok Berg zich nog herinneren hoe zij, ofschoon zij slechts de straat hoefde over te steken, flink liep te mopperen als zij wéér werd opgetrommeld voor een nachtelijke oefening waarvan het nut niet duidelijk was.4 Aan het geklaag werd door de andere dames van het LBD-hoofdkwartier dapper meegedaan. Er ontstond op zeker moment een atmosfeer waarin verlangend naar de actie van de oorlog werd uitgezien.
Met de uiteindelijke Japanse aanval op Java op 1 maart 1942 kwam een einde aan de onzekerheid. In deze dagen was Sok Berg bij voortduring op haar post, niet in de laatste plaats omdat de andere dames zich door geruchten over de komst van Japanse stoottroepen niet meer op straat durfden te begeven. Op 8 maart deed zij, hoewel de LBD na de algehele capitulatie in de vroege ochtend had opgehouden te bestaan, zo’n achttien uur achtereen dienst. Mevrouw Pino, de algemeen leidster, had haar en enkele anderen verzocht op de post te blijven voor het geval er nog het een of ander te doen viel. Sok Berg zat dan ook nog achter haar schakelbord, toen Japanse troepen het LBD-gebouw in de avond van diezelfde dag bezetten.

Betrokken bij het verzet
Na de capitulatie werd de LBD door de Japanners omgedoopt tot Poesat Keibodan. In eerste instantie moest het oude LBD-personeel, onder wie ook Sok Berg, de werkzaamheden voortzetten. Zij werden hierbij nauwlettend gadegeslagen door permanent aanwezige Japanners. Op 26 mei 1942 echter arresteerde de Kenpeitai De Vos, hoofdcommandant van de LBD. De Vos werd ervan beschuldigd naar nieuwsuitzendingen van Geallieerde radiostations te hebben geluisterd. Hij werd een maand later terechtgesteld.5 Na de arrestatie van De Vos werden de Europese en Nederlands-Indische personeelsleden gearresteerd. Het was een angstige tijd. Steeds weer kwam de Kenpeitai voor nieuwe arrestaties en uiteindelijk bleven van de oorspronkelijke bezetting alleen Sok Berg en een zekere Zeynder over. Later sprak Sok Berg het vermoeden uit dat de Japanners haar zo lang bij de Keibodan tolereerden - zij bleef er tot eind december 1942 werkzaam - vanwege haar vriendschappelijke banden met het vorstenhuis van Soerakarta.6 Ondanks de permanente aanwezigheid van Japanners werd het hoofdkwartier van de LBD in de eerste weken van de bezetting een centrum van verzet. De LBD’ers trachtten zo goed en zo kwaad als dat ging de contacten tussen krijgsgevangenen en hun gezinnen te onderhouden. Helaas is niet meer vast te stellen hoe dit precies in zijn werk is gegaan. Wel is zeker dat ook Sok Berg hierbij betrokken is geweest.
Rond de tijd dat de Kenpeitai haar echtgenoot op beschuldiging van sabotage arresteerde, werd Sok Berg door Pa van Hutten benaderd met het verzoek mee te werken in de ondergrondse beweging. Van Hutten was uit krijgsgevangenschap vrijgelaten om Indonesiërs op te leiden opdat zij het werk van het oorspronkelijke LBD-personeel zouden kunnen overnemen.Van zijn herwonnen vrijheid maakte hij gebruik om mensen te werven voor ondergrondse actie. Aanvankelijk weigerde Sok Berg op het verzoek van Van Hutten in te gaan. Zij vond het te riskant hieraan mee te werken in verband met haar broertje Bob en haar dochter Mildred, die beiden nog bij haar woonden. Spoedig echter kwam er kentering in haar houding. Het was de toenemende druk van de bezetter de arrestaties, de vernederingen, de slechte behandeling van geïnterneerden die haar rijp maakte voor het verzet. Een bezoek aan haar man, nog altijd opgesloten in een cel bij de Kenpeitai, gaf de doorslag. Ontdaan over hetgeen men hem had aangedaan, was zij vastbesloten niet langer lijdzaam te blijven toezien. Pogingen van Mildred haar moeder van dit voornemen af te brengen hadden geen succes.7
Haar eerste ondergrondse werk verrichtte Sok Berg vanuit het hoofd kwartier van de LBD. De op het hoofdkwartier binnenkomende berichten gaf zij, na ze zelf uit het Javaans of Maleis vertaald te hebben, door aan Pa van Hutten. Zij werd hierbij geholpen door Abdoelasis Redjodiningrat en Said Notodiningrat, twee loyale Madoerezen die door Van Hutten bij de radiodienst waren geplaatst. Redjodiningrat wist zich door zijn kennis van het Japans een vertrouwenspositie bij de Japanners te verwerven en kon daardoor nog al eens wat belangwekkends te weten komen.8 Tijdens de lunch - Redjodiningrat en Notodiningrat kwamen vaak met haar mee naar huis - gaven zij de verkregen informatie door aan Sok Berg, die het op haar beurt aan Van Hutten doorspeelde. Na de arrestatie van Van Hutten, medio augustus 1942, ging dit werk overigens gewoon door.
Ondanks de door Sok Berg betrachte heimelijkheid raakte het spoedig in bredere kring bekend dat zij in het verzet zat. Zo hoorde Emil Best, hoofdmachinist en treinbegeleider bij de spoorwegen, van de Molukse machinist Sahetapy dat zij betrokken was bij de hulpverlening aan de mensen in interneringskampen. Best kende haar al van voor de oorlog en was, als goede vriend en trainingsmaatje van haar broer John Butteweg (beiden waren niet onverdienstelijke wielrenners), vaak bij haar thuis geweest. Op dat moment, medio 1942, zocht Best iemand die hij kon vertrouwen. Hij had op het emplacement Kalimas briefjes, die door krijgsgevangenen uit een wachtende trein waren gegooid, meegenomen met de bedoeling deze aan de geadresseerden af te leveren. Voor zover die in Soerabaja of Malang woonden, kon hij dit zelf af, maar de berichten voor mensen van elders vormden een probleem. Met deze briefjes ging hij daarom naar Sok Berg, die ze zonder veel commentaar in ontvangst nam en zei ervoor te zullen zorgen dat ze op de bestemde plaats terecht zouden komen.9
Eenmaal betrokken geraakt bij het verzetswerk van Pa van Hutten, kwam Sok Berg ook in aanraking met dat van Wil Meelhuysen. Het contact kwam door toeval tot stand. Van een van de verbindingsmensen uit de organisatie van Van Hutten vernam Sok Berg dat Meelhuysen zich in Soerabaja bevond en de schuilnaam Tahir droeg. Haar nieuwsgierigheid werd geprikkeld toen zij bij het doornemen van de werkroosters van de Keibodan de naam Tahir tegen kwam. Zij zocht hem op in het huisje dat hij in een kampong bewoonde, maar de omstandigheden waren er niet naar om hier uitgebreid over verzet te spreken. Daarom nodigde Sok Berg Meelhuysen uit om bij haar thuis langs te komen, zogenaamd om hem instructies te geven voor de aanstaande oefening van de Keibodan. Eenmaal in de veiligheid van haar huis vroeg zij hem op de man af of hij kapitein Meelhuysen was. Slechts aarzelend, immers niet wetend wie hij wel en wie hij niet kon vertrouwen, gaf hij toe.10
Na deze ontmoeting werd Sok Berg opgenomen in de verzetsorganisatie die Meelhuysen aan het opbouwen was. Het klikte vrijwel onmiddellijk tussen haar en de kapitein. Er ontstond een hechte en vertrouwelijke vriendschap waarin zij de raadsvrouw en de ‘biechtmoeder’ van Meelhuysen was. Met haar sprak hij over zijn plannen en zij diende hem dan van advies, kwam met andere ideeën of praatte hem over zijn twijfels en angsten been. Zij nam hem in dienst als tuinjongen en sprak -overigens vergeefs -haar contacten aan om hem een plaats te bezorgen op de alleen voor Indonesiërs toegankelijke vliegschool van Singosari. Meer en meer raakte Sok Berg verwikkeld bij de activiteiten van Meelhuysen.
Meelhuysen alias Tahir
Willem Adam Meelhuysen (geboren op maart 1902) had carrière gemaakt binnen het KNIL. Hij kreeg zijn opleiding onder meer aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, was een uitmuntend scherpschutter en won prijzen op concoursen hippique. Toen hij aan de vooravond van de oorlog van de artillerie naar de militaire luchtvaart van het KNIL werd overgeplaatst had hij de rang van kapitein bereikt. Hij werd benoemd tot commandant van de opleidingsschool voor de functie vlieger/waarnemer in Batavia. Tijdens de oorlogsdagen voerde hij bombardementsvluchten uit vanaf een geheime vliegbasis in de buurt van Soerabaja. Op 3 maart, tijdens zo’n vlucht, stortte zijn toestel fleer; Meelhuysen bleef echter ongedeerd.11
Op het moment dat de algehele capitulatie werd afgekondigd bevond Meelhuysen zich in Bandoeng. Vastbesloten de strijd tegen de Japanners voort te zetten, meldde hij zich niet voor krijgsgevangenschap. Hij ontdeed zich van zijn militaire herkenningstekens en dook onder. Aangenomen moet worden dat hij hierbij op eigen initiatief handelde, maar het is niet uitgesloten dat hij opdracht had gekregen om het verzet tegen de Japanners te gaan organiseren. Aan reserve-luitenant D.M. Bromet, een van degenen met wie hij later in Soerabaja contact zou hebben, liet hij althans doorschemeren dat er sprake was van een vooropgezet plan. Hij vertelde Bromet dat nog voor de capitulatie een radiobericht uitgezonden was, waarin gezegd werd dat zijn toestel was neergestort en dat hij daarbij was omgekomen. Dit bericht zou met opzet zijn uitgezonden om het voor hem mogelijk te maken illegaal werk te gaan verrichten.12

Verkleed als Arabier en zich bedienend van de schuilnaam Tahir, wist Meelhuysen na een week van omzwervingen Magelang te bereiken. Hij zocht in eerste instantie hulp bij zijn schoonzuster Godie Meelhuysen. De gehurkte inlander die voor haar paviljoentje zat te wachten herkende zij aanvankelijk niet. Pas toen hij lachte, drong het tot haar door wie hij werkelijk was. Meelhuysen bleef een dag of drie bij zijn schoonzuster om uit te rusten van de vermoeienissen. Na door haar van reispapieren te zijn voorzien - zij had hiervoor haar relatie met Yap Sing Fong, de loco-burgemeester van Soerabaja, aangesproken - zette Meelhuysen zijn tocht naar Soerabaja voort. Net op tijd, want nog geen uur nadat hij weg was, werd het huis van Godie door de PID doorzocht.13
In Soerabaja ging Meelhuysen, gekleed als Indonesiër, zo veel mogelijk op in de massa. Hij was niet lang, had een slanke gestalte en een vrij lichte huidskleur. Meestal ging hij gekleed in kaïn een wit jasje en een zwarte muts. Om niet op te vallen door zijn militaire houding liet hij zijn schouders wat zakken en liep hij enigszins sloffend.14 In de kampong Ngagel huurde hij een half-stenen, half-houten huisje, met daarin niet veel meer dan een balé-balé om te slapen en een put om te baden.15 Hier leidde hij een ‘sober, zelfs armoedig leven’16 en droeg er zorg voor zich in niets van de andere kampongbewoners te onderscheiden. Hij vervulde zijn door de islam voorgeschreven religieuze en sociale verplichtingen zodanig dat men hem als een santri, een vrome moslim, beschouwde. Met zijn vriend, de arts Soesman uit Malang, maakte hij zelfs een afspraak om zich te laten besnijden.17 Meelhuysen werd in de kampong-gemeenschap opgenomen en was er betrekkelijk veilig en onzichtbaar voor degenen die hem achtervolgden. Daarnaast kwam hem er nogal eens nuttige informatie over de bezetter ter ore.
Na aankomst in Soerabaja zocht Meelhuysen een dekmantel voor zijn ondergrondse werk. Na enige tijd als tjikar-drijver goederen tussen Soerabaja, Malang en Kediri vervoerd te hebben, vond hij werk bij de melkhandel van de familie Verschoor. Als melkbezorger kwam hij in de gehele stad en moest hij ook geregeld naar Malang. Tijdens het afleveren van de bestellingen kon hij zijn ogen goed de kost geven. Tevens bezorgde hij geregeld melk bij Japanse officieren, wat de gelegenheid bood hun personeel uit te horen. Na verloop van tijd kon Meelhuysen niet meer bij de firma Verschoor werkzaam blijven. Of hij daarna een ander baantje heeft gehad, of dat het verzetswerk hem volledig in beslag is gaan nemen, valt niet meer na te gaan. Het lijkt er echter wel op dat Sok Berg hem nog enige tijd als tuinjongen in dienst heeft gehad. Emil Best kwam eens bij haar en zag een hem onbekende bediende. Op zijn vraag wie dit was, antwoordde Sok Berg dat dit een nieuwe tuinjongen was en dat hij Tahir heette.18
Meelhuysen, door zijn tijd bij de militaire geheime dienst geschoold in de kunst van het vermommen, voelde zich zo zeker, dat hij dienst nam bij de Keibodan. Ook ging hij eens verkleed als elektricien een Japans kantoor binnen. Terwijl hij onopvallend de gloeilampen controleerde, luisterde hij zo goed en zo kwaad als het ging de gesprekken af. Hij bewoog zich zelfs geregeld als Japans soldaat, compleet met kniebroek en ‘kromme benen’, door Soerabaja. Vooral in het duister leek deze vermomming zo echt, dat het verschillende malen gebeurde dat Japanse wachtposten voor hem salueerden. Nadat Meelhuysen in deze vermomming zijn vrouw verschillende malen had bezocht, ging zelfs het gerucht dat zij een verhouding met een Japanner had aangeknoopt.19
Ondanks alle moeite die Meelhuysen zich getroostte om zijn vermomming zo volledig mogelijk te maken, was deze vooral voor Indische Nederlanders zeker niet ondoorzichtig. Zo beleefde hij eens een angstig moment toen de vrouw van een KNIL-officier door zijn vermomming heen keek terwijl hij haar melkbestelling opnam.20 Emil Best had onmiddellijk door dat de tuinjongen van Sok Berg geen Javaan was; hij kon het zien aan de gelaatstrekken en de huidskleur. En Mildred Berg schrijft over de vermomming van Meelhuysen dat het hem buitengewoon goed stond, ‘maar hij hield er niemand mee voor de gek.21 Hoe dit ook zij, Meelhuysen wist in ieder geval bij verschillende gelegenheden de Japanners wél om de tuin te leiden.
De plannen van Meelhuysen
Het eerste wat Meelhuysen in Soerabaja te doen stond was te trachten een overzicht te krijgen van de ondergrondse acties die inmiddels op gang waren gekomen. En dat waren er nogal wat. Al direct nadat het Japanse leger in triomf door de stad was getrokken, ontstonden er initiatieven om de nieuwe heersers zo veel mogelijk dwars te zitten. Aan alle kanten wilden Nederlanders en Indische Nederlanders, maar ook Molukkers, Minahassers, Madoerezen en, niet te vergeten, Chinezen, de strijd voortzetten. Veelal op eigen initiatief werden acties ondernomen, individueel of in groepen, binnen de interneringskampen of daarbuiten. Zo waren er de organisatie van de al eerder genoemde Pa van Hutten, die met zijn LBD-jongens wapens verzamelde en nieuwsberichten verspreidde, en het Freedom Fighting Corps, een groep jongeren onder leiding van Willy Tan. Daarnaast was ook de organisatie van J. Dekker, F. Berting en J. Leedekerken, opgericht met het doel burgers en ex-militairen binnen en buiten de kampen van wapens te voorzien, actief. In de eerste maanden van de bezetting was het verzet in Soerabaja en het nabij gelegen Malang bepaald geen toonbeeld van een strak geleide illegale organisatie. Tussen al de afzonderlijke groepen en personen was de coördinatie ver te zoeken en vaak werkte men langs elkaar been.
Het was Meelhuysen al snel na zijn komst in Soerabaja duidelijk dat bundeling van krachten en een professioneler geleide organisatie essentieel waren om iets tegen de Japanners te bereiken. Hij zag het daarom als zijn taak om in de chaotische situatie waarin het verzet zich bevond, verandering te brengen. Zijn oplossing bestond er uit de verschillende groepen samen te brengen in één organisatie waarin het voor iedereen duidelijk was wat het doel was en wie de bevelen gaf. Dat hem hierbij een in wezen militaire organisatie voor ogen stond, zal geen verwondering wekken.
Het belangrijkste doel van Meelhuysens organisatie, die ook wel met de codenaam Corsica werd aangeduid, was de voorbereiding op de Geallieerde invasie. Dat die invasie zou komen, daar was vrijwel iedereen van overtuigd; alleen was de grote vraag: wanneer? Meelhuysen - en velen met hem verwachtte die invasie op betrekkelijk korte termijn. Zo gaf hij begin december 1942 de Molukse sergeant D. Pelasula opdracht zich voor actie gereed te houden, want hij beschikte over informatie dat op 27 december negenhonderd Geallieerde parachutisten bij Morokrembangan gedropt zouden gaan worden. Volgens Bromet ging Meelhuysen er van uit dat de landingen in de eerste twee maanden van 1943 zouden plaatsvinden.23
Op de dag dat de Geallieerden hun landingen zouden uitvoeren, zou ook Meelhuysens organisatie tot actie over moeten gaan. Het was de bedoeling om de Geallieerde opmars op alle mogelijke manieren te bevorderen. Meelhuysen maakte plannen om strategische posities als bruggen en spoor wegen te bezetten, om Japanse troepenbewegingen te belemmeren en bun verbindingen te verbreken. Ook hield hij zich bezig met het opbouwen van een spionagenetwerk, omdat militaire en algemene inlichtingen over de bezetter van groot belang waren voor het slagen van de Geallieerde veldtocht. Zijn organisatie moest gereed zijn om, na de verdrijving van de Japanners, het ontstane machtsvacuüm op te vullen door het bestuur over te nemen en bescherming te bieden tegen rampokkers.

Hoe Meelhuysen de verwezenlijking van deze doelen voor ogen zag, blijkt uit de verklaring van sergeant Pelasula. In september 1942 sloop Meelhuysen het Bijenkorf-kamp binnen. Aan de daar verblijvende Molukse beroepsmilitairen gaf hij het commando over een groep burgers en militairen. Wanneer tot actie zou worden overgegaan, moesten deze groepen strategische punten in de stad bezetten om vandaar uit de strijd met de Japanners aan te binden. Zo zou een groep onder het commando van korporaal J. Matatoela het hoofdbureau van politie en de kantoren van Telegraaf en Post moeten bezetten. Pelasula en zijn mannen zouden de kleine gevangenis en het bureau van de 3e politiesectie in Boeboetan en de Japanse militaire rechtbank, de Kotohoin, in de voormalige meisjesschool voor hun rekening nemen. Meelhuysen had van alle te bezetten objecten een kaart gemaakt, die hij door Pelasula liet bestuderen.24
Naast de verwezenlijking van deze ambitieuze militaire doelstellingen trachtte Meelhuysen het reeds ontstane verzet gaande te houden. Leden van zijn organisatie waren voortdurend bezig de omstandigheden in de interneringskampen te verbeteren door het smokkelen van voedsel, kleding en geld. Zij verleenden steun aan de in grote financiële moeilijkheden verkerende gezinnen van krijgsgevangenen, voorzagen de groepen militairen in de bergen rond Malang van wapens en andere goederen in de hoop daarmee de guerrillastrijd gaande te houden, en hielden ten slotte het moreel hoog door berichten over het oorlogsverloop te verspreiden.
Het grootste probleem waarmee Meelhuysen en de zijnen zich zagen geconfronteerd - groter nog dan het werven van medewerkers - was het verzamelen van de zo noodzakelijke vuurwapens, geld en medicijnen. Er waren zeker wapens voorhanden. Vele militairen en anderen hadden na de capitulatie het Japanse bevel alle wapens in te leveren genegeerd en ze begraven, verstopt of in de kali geworpen. Daarnaast bevonden zich op enkele punten in stad wapenopslagplaatsen van het KNIL die nog niet door de Japanners ontdekt waren. Op alle mogelijke manieren trachtte Meelhuysen dan ook in contact te komen met mensen die wisten waar wapens verborgen waren of die wisten waar die te verkrijgen zouden kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat hierbij uiterst omzichtig te werk gegaan moest worden, want de PID had overal zijn informanten. Was zo’n contact eenmaal gelegd, dan ging Meelhuysen zelf, maar vaker een van zijn naaste medewerkers, poolshoogte nemen, om te onderhandelen over de prijs of om te bepalen of een en ander de moeite en het risico van transporteren waard was. Was dat het geval dan kreeg een ‘ondergeschikte’ opdracht de wapens op te gaan halen en elders af te leveren of te verbergen.
De medewerkers
Voor het uitvoeren van al de verzetsactiviteiten waren uiteraard veel mensen nodig. Een indicatie voor de omvang van de groep is het feit dat toen de groep in het voorjaar van 1943 definitief werd opgerold, er ongeveer tweehonderd mensen gearresteerd werden.25 Pelasula spreekt overigens over zo’n zevenhonderdvijftig Nederlandse en Chinese leden.26 Gesteld kan worden dat het ‘voetvolk’ van de organisatie merendeels bestond uit Molukse en Minahassische KNIL-Soldaten: loyaal aan koningin en vlag, gewend aan militaire gezagsverhoudingen en, niet onbelangrijk, na enkele weken krijgsgevangenschap door de Japanners vrijgelaten. Het ‘kader’ van de groep bestond voornamelijk uit Nederlanders en Indische Nederlanders die buiten de kampen gebleven waren: enkele KNIL-officieren en vele burgers: mannen, vrouwen en jongens. in zekere zin weerspiegelde de organisatie de verhoudingen uit de koloniale maatschappij.
Ondanks — of misschien juist: vanwege — het grote aantal medewerkers trachtte Meelhuysen zijn organisatie zo simpel mogelijk te houden. Er was slechts één leider en dat was hij zelf. Hij was de coördinator tussen de verschillende cellen waarin hij de groep opgedeeld had, en hij gaf de opdrachten aan deze groepen. Zijn leiderschap werd door allen geaccepteerd en was niet alleen gebaseerd op zijn militaire rang, maar ook op zijn persoonlijke charisma. Het was dit charisma dat H. Groothuizen deed besluiten zich, ondanks zijn scepsis over het grootschalige van Meelhuysens plannen, toch voor de organisatie in te zetten. Hoewel Meelhuysen ook zelf aan acties deel nam, bleef hij op verzoek van zijn naaste medewerkers zo veel mogelijk op de achtergrond.
Ferdinandus en Groothuizen
Tot zijn adjudanten koos Meelhuysen M. Ferdinandus en H. Groothuizen, respectievelijk luitenant en onderluitenant in het KNIL. Ferdinandus, de tweede man na Meelhuysen, was na de strijd op Tarakan naar Java ontkomen en in Soerabaja verzeild geraakt. Hij bewoonde een kamer aan de Princesselaan, ging meestal in shorts en sportblouse gekleed en noemde zich ook Faber of oom Felix. Ferdinandus was een man wiens optreden vol branie, en daardoor ook roekeloos was. Liefst had hij in december 1942, toen de situatie er geenszins rijp voor was, een opstand tegen de bezetter willen ontketenen. Het had hem allemaal lang genoeg geduurd en hij wilde wel eens gaan schieten. Hoewel de anderen hem dit drieste plan uit het hoofd wisten te praten, konden zij niet voorkomen dat Ferdinandus in die tijd altijd met twee geladen pistolen op zak liep.28
Groothuizen daarentegen was een veel bedachtzamer persoon, die onnodige risico’s altijd vermeed en zijn doen en laten zoveel mogelijk verborgen hield. De PID was dan ook niet op de hoogte van zijn werkelijke rol in de organisatie, wat later zijn redding zou blijken te zijn. Op 9 april 1942 was hij uit een krijgsgevangenkamp nabij Bandoeng ontsnapt. Vermomd als een Indonesische koopman, Djapar genaamd, was hij naar Malang gekomen om zich aan te sluiten bij de guerrillagroepen. Zijn vermomming was, in de woorden van Sok Berg, zo meesterlijk, dat zelfs wij, die hier in het land zijn geboren en getogen, er in vlogen.29 Pas in september 1942 kreeg hij contact met Meelhuysen, onder wie hij overigens al vóór de oorlog gediend had.
Tussen Ferdinandus en Groothuizen ontstond een verhouding die laatst genoemde omschreef als die tussen een officier en zijn dardanel*.30 Vaak traden zij gezamenlijk op. Het verschil in temperament tussen beiden wordt wellicht het best geïllustreerd door een incident in een opslagloods, op vijftig meter afstand waarvan zich een Japanse schildwacht bevond. Ferdinandus was een van zijn pistolen aan het nakijken en haalde per ongeluk de trekker over. Verstijfd van schrik zagen de mannen hoe de kogel een gaatje in het dak had geboord. Groothuizen had onmiddellijk de tegenwoordigheid van geest om een fietsband leeg te laten lopen, waardoor het leek als of die de oorzaak van de knal was. Na de oorlog was hij nog altijd verbaasd dat de Japanner niets van het voorval bemerkt had.31
Met Ferdinandus en Groothuizen zat Meelhuysen als een spin in een web van contacten met verzetsmensen in voornamelijk Soerabaja en Malang. Enkele van de personen met wie zij in Soerabaja in contact stonden waren de gepensioneerde KNIL-overste Weber; sergeant Van Manen, die zich aan krijgsgevangenschap onttrokken had en actief was in het bijeenbrengen van vuurwapens; ir. Moll, die voor valse passen zorgde; Jan Rups, de eenarmige journalist van Het Handelsbiad die na een rondreis over Java eind maart 1942 een rapport opstelde over de situatie in de andere plaatsen; luitenant Bromet, van wie bekend was dat hij zestigduizend gulden uit de KNIL-kas voor dejapanners had weten te verbergen; en de Chinese arts Go In Tjhan, door Meelhuysen benaderd voor het opzetten van de medische afdeling van de groep. Nauwe contacten bestonden voorts met de in het Malangse opererende groepen van overste Steyn van Hensbroek en van Erlo Trouwerbach, administrateur op de koffieonderneming Kalitapak.
De vrouwen rond Meelhuysen
Voor de uitvoering van al de illegale activiteiten was Meelhuysen voor een belangrijk deel afhankelijk van de inzet van een aantal vrouwen. Jan Rups — maar ongetwijfeld ook veel andere mannen — maakte zich hier zorgen over; naar zijn idee kon verzetswerk niet aan vrouwen worden toevertrouwd.32 Toch moesten de mannen toegeven dat de bijdrage van vrouwen aan de organisatie van essentieel belang was, niet in de laatste plaats omdat het voor vrouwen veel gemakkelijker was zich onopvallend door de stad te bewegen. Zij werden dan ook met name ingezet voor koeriersdiensten.
Als eerste van deze vrouwen moet uiteraard Sok Berg genoemd worden. Na haar ontmoeting met Meelhuysen was zij steeds meer bij zijn organisatie betrokken geraakt. Zij kreeg de functie van contactpersoon, was betrokken bij de werving van nieuwe leden voor de organisatie en haar huis werd een centrum van clandestiene activiteiten. Zo werden er tijdelijk wapens verborgen in afwachting van doorvoer naar Malang. Ook vonden verschillende verzetsmensen een veilig onderkomen in het huis van Sok Berg. Geruime tijd woonden de jonge Minahassische KNIL-soldaten Wiwi Pangemanan en Arthur Runtuwene, die de verbinding met verzetsgroepen in het Malangse verzorgden en leden voor de organisatie onder de Molukkers trachtten te werven, bij haar in.
Het huis aan Tegalsari was een plaats waar Meelhuysen en zijn naaste medewerkers samenkwamen, hetgeen snel in kringen van het verzet bekend raakte. Zo was het bij Sok Berg thuis dat Groothuizen in de koempoelan werd geïntroduceerd en dat luitenant Bromet haar benaderde met het verzoek hem in contact te brengen met Meelhuysen. Was er zo’n vergadering op komst, dan schikte Mildred de stoelen op de open voorgalerij van het huis op een van tevoren afgesproken manier. Dit was voor de mannen, die een voor een binnendruppelden alsof zij gewoon op bezoek kwamen, het sein dat de kust veilig was. Terwijl Mildred en Bob in een van de slaapkamers zaten, overlegden Meelhuysen, Ferdinandus, Groothuizen, Sok Berg en anderen in de woonkamer over wat hen te doen stond. Ongetwijfeld zal Sok Berg, naast het serveren van thee en spekkoek, de anderen bij deze gelegenheden verteld hebben wat zij aan interessante informatie te weten was gekomen. Het werk op het Keibodan-hoofdkwartier en de contacten met Molukkers waren hiervoor haar bronnen.


Juist ook omdat zij nog altijd op het Keibodan-hoofdkwartier werkzaam was, kreeg Sok Berg in Meelhuysens plannen een cruciale rol toebedeeld. Als het juiste moment daar was, zou zij het sein geven dat tot actie moest worden overgegaan. En na het geven van het sein — het langer dan dertig seconden laten loeien van de luchtbeschermingssirenes — zou zij in samen werking met haar Madoerese helpers de communicatieapparatuur op het hoofdkwartier vernielen.33
Twee andere vrouwen die Meelhuysen met raad en daad terzijde stonden, waren zijn schoonzuster Godie Meelhuysen en haar vriendin Hetty Verlinden, die destijds getrouwd was met de keel-, neus- en oorarts professor Engelen. Enige tijd nadat zij haar zwager op weg had geholpen naar Soerabaja, raakte Godie Meelhuysen betrokken bij de hulpverlening aan een guerrillagroep nabij Malang. Aanvankelijk deed zij dit vanuit Poerwodadi, waar zij bij haar moeder verbleef, maar na verloop van tijd vertrok zij naar Soerabaja. Zij trok in bij Hetty Engelen, die een groot woon- en praktijkpand aan de Palmenlaan bewoonde. Godie kon hier gemakkelijk contact houden met Meelhuysen, die dagelijks rond tien uur ‘s ochtends aan huis kwam om melk te bezorgen. Op zekere dag echter rekende Hetty Engelen zelf de melk af en herkende Meelhuysen aan zijn handen en aan zijn zegelring. Zij vertelde het voorval aan Godie Meelhuysen, die haar daarop bekende dat zij haar zwager zo veel mogelijk bij zijn verzet trachtte te helpen. Vanaf dat moment was ook Hetty Engelen bij de actie betrokken.
De vriendinnen bleven met Meelhuysen contact houden. Voor hun ontmoetingen hadden zij een code afgesproken. Als Hetty Engelen zelfde melk met Meelhuysen kwam afrekenen, dan hadden zij en Godie hem iets te vertellen. Was dit niet het geval, dan betaalde een van de bedienden de melk; Hetty bleef dan wel in de buurt om een eventueel signaal van Meelhuysen op te vangen. Omdat het te gevaarlijk was om in het huis aan de Palmenlaan bijeen te komen - hier waren na de komst van de Japanners te veel mensen komen wonen - huurde Hetty Engelen voor vijfendertig gulden per maand een paviljoentje aan de Brantasstraat. Een deel van de huur werd opgebracht door Jack Oei Tjoeng Ie, de zoon van een Chinese miljonair. In de Brantasstraat konden Godie en Hetty ongestoord met Meelhuysen afspreken - niet te vaak, want de buren zouden anders argwaan kunnen krijgen. Hier spraken zij bijvoorbeeld over bun tocht naar Poerwodadi, toen zij zich met revolvers op de buik gebonden voordeden als zwangere vrouwen. En hier ook kreeg Meelhuysen de verbandmiddelen en medicijnen, afkomstig uit de huisapotheek van dokter Engelen. De ontmoetingen in het paviljoentje werden meer dan eens bijgewoond door Jan Rups, die er enige tijd woonde, en door Ferdinandus en Pangemanan.
Een heel enkele keer gingen Godie en Hetty gekleed als Indonesische vrouwen, ‘s avonds op pad om Meelhuysen in zijn kamponghuisje op te zoeken. Zij deden dit bijvoorbeeld toen het hen ter ore was gekomen dat de PID hem een valstrik spande en hij daarom tijdig gewaarschuwd moest worden. Zij deden dit ook toen Hetty verslag wilde uitbrengen over wat zij tijdens een party van een hoge Japanse officier gezien had. Zij was op deze party op uitnodiging van de officier, die de Buick van dokter Engelen in beslag had genomen. Dwalend door het grote pand had zij in een van de kamers een grote kaart van de Stille Oceaan gezien, waarop met vlaggetjes de Japanse en Geallieerde posities waren aangegeven. De Japanse vlaggetjes waren toen nog veruit in de meerderheid.35
Een andere vrouw met wie Meelhuysen contact hield, was Suze Matthes-Cornelius de eigenaresse van de Lawangsche Melkhandel met filialen in de Van Swolstraat en op de Darmo-boulevard. Nadat zij op 17 maart 1942 tijdens een treinreis Jan Rups, die toen al probeerde mensen tot verzet te bewegen, had ontmoet, was zij zich gaan bemoeien met het verzamelen van wapens en levensmiddelen voor de guerrillagroepen. Zij verwierf zich kanalen om de informatie over wat zich zo al in Soerabaja afspeelde - informatie die zij van haar klandizie en haar melkjongens kreeg - aan de ondergrondse van Meelhuysen door te geven. Haar rapporten, ondertekend met Stevens, kwamen bij de kapitein terecht via de luitenant-ter-zee Alenbeek. Later, na de arrestatie van Alenbeek, was Pieter Stolp, alias De Vecht, alias Von Stein, de verbindingsman.
Voor velen zal het een verrassing zijn geweest toen zij bemerkten dat Suze Matthes in het verzet actief was. Kort voor de oorlog namelijk verdacht men haar van NSB-sympathieën - en dus van een anti-Nederlandse gezind heid. Deze verdachtmaking was ontstaan nadat de cultuuronderneming Getegan de beer Matthes in augustus 1940 had ontslagen, omdat hij donateur van de NSB was. De vermeende NSB-sympathieën vormden voor het illegale werk van Suze Matthes een prachtige dekmantel. Zij zal geen moeite hebben gedaan de indruk weg te nemen.36
‘Onze Kenau’
Naast de vier genoemde vrouwen ten slotte was Corrie Altman van grote betekenis voor de organisatie van Meelhuysen. Zij was in het verzet gerold door haar werk als verpleegster in het Centraal Burger Ziekenhuis in Soerabaja. Ten tijde van de capitulatie verpleegde zij daar de gewonden van de slag in de Javazee. Haar verzet was begonnen met het regelen van medicijnen voor haar patiënten en het manipuleren van de ziekenlijsten om hen zo lang mogelijk voor overbrenging naar een krijgsgevangenkamp te vrijwaren. Tegelijkertijd verstrekte zij medicijnen en voedsel aan behoeftige Molukse vrouwen en kinderen in Tambaksari. Dit voedsel was voor haar ontvreemd door twee Japanse chauffeurs van de Simutzu Butai, de Marine Export Afdeling, met wie zij toen een goed contact had. Ook voor Corrie Altman kwam van het een het ander, en zij raakte meer en meer bij het verzet betrokken. Altijd op zoek naar manieren om de kas van de ondergrondse te vullen, organiseerde zij onder Nederlandse en Nederlands-Indische vrouwen een breicentrale. De opbrengsten gebruikte zij voor het aanschaffen van wapens of van voedsel en medicijnen voor geïnterneerden. Via Frans Hengst, ambtenaar bij de gemeente Soerabaja, verkreeg zij blanco pendaftarans, die zeer wel van pas kwamen voor de illegale werkers.37 Verder had zij contacten met het Chinese verzet in Soerabaja, en werd op zekere dag door Wiwi Pangemanan haar hulp ingeroepen bij het verzamelen van wapens en medicijnen voor de groep van Trouwerbach.
Het was Pangemanan die Meelhuysen op de hoogte bracht van hetgeen Corrie Altman voor de organisatie zou kunnen doen. Op een avond zocht Meelhuysen haar thuis op en vroeg haar te helpen bij het werven van fondsen. Zij stemde toe en ging behoren tot de kring van zijn naaste medewerkers. Groothuizen noemt Corrie Altman in zijn rapport ‘onze Kenau, die […] van commanderen hield’. Hij had bewondering voor haar kordate en vastberaden manier van handelen, maar meende tegelijkertijd dat zij te driest optrad en daarmee te veel risico nam.38 Dit mocht zo zijn, Corrie Altman werd desondanks een van de motoren van de organisatie Meelhuysen. De contacten die zij inmiddels had opgebouwd met verzetsmensen niet alleen in Soerabaja, maar over heel Java, waren van onschatbare waarde. Als schoonzuster van overste Van Ardenne was zij min of meer op de hoogte van het illegale werk in West-Java; zij stond daarmee ook in verbinding. Zij won inlichtingen in over de Japanse militaire sterkte en maakte tochten naar verzetsmensen in Malang en Lawang, waarbij zij soms de haar schaduwende PID’er van zich af moest schudden. Telkens wist zij weer een manier om aan geld te komen waarmee het illegale werk gefinancierd kon worden.
In die niet aflatende speurtocht naar fondsen voor het verzet kwam zij onder meer bij Pieter Colijn terecht. Het was bekend geworden dat Colijn, zoon van de oud-minister-president en agent van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, nog over aanzienlijke bedragen beschikte. Colijn gaf Corrie Altman inderdaad geld ten behoeve van de verzetsorganisatie van Meelhuysen. In ruil hiervoor zegde zij hem steun toe bij zijn pogingen een verbinding met de Nederlands-Indische regering in Australië tot stand te brengen.
Per prauw naar Australië
Het initiatief tot deze verbinding was afkomstig van het verzet in West-Java. In kringen van de organisaties van Kramer en Wernink in Batavia, van De Lange in Bandoeng en van Welter in Buitenzorg, achtte men het van essentieel belang dat de uitgeweken regering op de hoogte was van de situatie in het bezette Nederlands-Indië. Omdat het leggen van een radiografisch contact tot dan toe niet gelukt was en een grote kans op ontdekking kende, had men in oktober/november 1942 besloten twee koeriers op pad te sturen. De missie werd opgedragen aan de Nederlanders M. Hamelink, directeur van de Javasche Bank in Makassar, en mr. J. van Lier, jurist bij de Koninklijke Paketvaartmaatschappij. Tussen de bescheiden die zij moesten overbrengen bevonden zich het rapport over de staatkundige inrichting van het naoorlogse Nederlands-Indië en een door het verzet in West-Java te gebruiken geheime zendcode. Ook kregen zij een uitgebreid overzicht van de verzetsorganisatie in West-Java mee.39
Om Hamelink en Van Lier verder op weg te helpen, schakelde Colijn, via Corrie Altman, de wijdvertakte organisatie van Meelhuysen in. Hoewel Corrie Altman het eigenlijk een slecht plan vond om twee blanken te sturen - liever zond zij twee Indonesiërs, die zich uiteraard veel onopvallender konden bewegen - deed zij toch haar best een en ander te doen slagen. Met het geld dat zij van Colijn voor de huur van een prauw had gekregen, stuurde zij Frans Hengst er op uit om de noodzakelijke contacten te leggen en de tocht voor te bereiden. Hamelink en Van Lier werden tussentijds ondergebracht bij Suze Matthes in de Van Swolstraat.
Drie pogingen om Hamelink en Van Lier in te schepen waren al mislukt, toen zij, begin december, als nipponwerkers naar Oost-Java reisden. In Panaroekan gingen zij aan boord van de prauw, die hen naar Australië zou moeten brengen. Na een dag of twaalf echter werden zij in de buurt van Soembawa door averij gedwongen aan land te gaan, waar zij door de bevolking bij de Japanners werden aangegeven. Hamelink en Van Lier, die de in lood verpakte geheime papieren bijtijds overboord hadden gezet, werden gearresteerd en overgebracht naar Makassar. Wegens hun poging om Java te verlaten, veroordeelde de Japanse rechtbank aldaar hen tot tien jaar gevangenisstraf.40
Meelhuysen zelf had in eerste aanleg Hamelink en Van Lier zullen vergezellen. Hij was er erg op gebrand de strijd tegen de Japanners voort te zetten, daar waar hem daarvoor meer middelen ter beschikking stonden. Een eerder plan om op het vliegveld van Singosari een Japans toestel te stelen en daarmee naar Australië te vliegen was mislukt.41 Met de ontsnappingspoging van Hamelink en Van Lier deed zich nu een nieuwe mogelijkheid voor. Op het laatste moment echter besloot Meelhuysen toch niet mee te gaan. Hij wijzigde zijn voornemen nadat Runtuwene hem een geheim schrijven uit Batavia had gebracht.42
Op de beslissing niet mee te gaan zal ook Meelhuysens persoonlijke onmisbaarheid binnen de organisatie van invloed zijn geweest.
Onderzoek door de PID en de Kenpeitai
Tegen de tijd dat Hamelink en Van Lier aan boord van hun prauw stapten, was Meelhuysen al in grote moeilijkheden geraakt. De PID en de Kenpeitai waren hem op het spoor gekomen en zaten hem dicht op de hielen. De meeste verbindingen van zijn organisatie waren deze diensten reeds bekend en een aantal van de kopstukken werd bij voortduring geschaduwd. Arrestaties konden dan ook niet lang meer uitblijven, te meer daar het opsporingsapparaat van de bezetter tot grote activiteit werd aangespoord. Begin december 1942 namelijk waren enkele geheim agenten van de NEFIS door een Geallieerde onderzeeër op Java s zuidkust aan land gezet, onder meer in de buurt van Blitar. Nog voordat deze parties ook maar iets hadden kunnen bereiken, waren zij, op aanwijzen van Indonesische bestuurders, in handen van de Japanners gevallen.43 Achterdochtig als zij waren, zagen de Japanners in deze parties de voorboden voor een ophanden zijnde grootscheepse Geallieerde invasie en zij verdubbelden daarom hun inspanning tot opsporing van ondergrondse organisaties die de Geallieerde opmars steun zouden kunnen verlenen.
Het speurwerk in de zaak-Meelhuysen werd voornamelijk verricht door de Indonesische rechercheurs en de politie van de PID. Zij konden uiteraard eenvoudig in de Indonesische samenleving opgaan. Onder leiding van de inspecteurs Sarmanhadi, Senoprawiro, Prawoto en de beruchte Moendjadi legden zij hun oor overal te luisteren en onderhielden zij contacten met de vele Indonesiërs die, aangelokt door de soms royale tipgelden, wilden vertellen wat zij over het verzet wisten. Met name Moendjadi toonde zich een rusteloze speurder, die op vele momenten in verschillende gedaanten opdook. Zo zat hij vermomd als bami-verkoper, op de voorgalerij van het huis van Bromet voor de regen te schuilen, terwijl binnenshuis Bromet met Meelhuysen overlegde.44 Bij het onderzoek lijkt de Kenpeitai zich enigszins op de achtergrond gehouden te hebben. Terwijl zij een vinger aan de pols hield, liet zij het vuile werk over aan haar Indonesische zetbazen. Zij kon dit met een gerust gemoed doen, want de PID stond onder strikte Japanse controle. Onder meer door de benoeming van Japanners tot hoofd van de PID - in Soerabaja was dit Orisjiama - was de dienst een verlengstuk van de Kenpeitai geworden.
Van der Weijde
In de pogingen zo veel mogelijk over de organisatie-Meelhuysen te weten te komen, werd de Indo-europeaan Van der Weijde** als agent-provocateur ingezet.45 Van der Weijde stond een snelle onafhankelijkheid van Indonesië voor, had communistische sympathieën en was een felle totok-hater.46 Wegens politieke agitatie in onder andere Cheribon was hij voor de oorlog veroordeeld tot deportatie naar Boven-Digoel op Nieuw-Guinea.47 In de loop van 1942 had de Kenpeitai Van der Weijde tegen een salaris van tweehonderdvijftig gulden per maand gerecruteerd als informant. Van Kobayashi, de Kenpeitai-chef, kreeg hij opdracht zich als ex-militair in het Jaarmarkt-kamp te laten interneren. Hij moest infiltreren in de verzetsgroepen die in dit kamp en in andere kampen actief waren. Door zich zeer anti-Japans voor te doen slaagde hij in deze opzet. Hij raakte betrokken bij de smokkelactiviteiten en kreeg inzicht in geheime wapenbergplaatsen en onderlinge verbindingen. Mede op grond van zijn aanwijzingen konden de Japanners de groepen oprollen.
Om meer inzicht te krijgen in de organisatie-Meelhuysen, werd Van der Weijde in oktober 1942 op het spoor van Suze Matthes gezet; Suze Matthes in wie men, vanwege de haar toegedichte NSB-sympathieën, een bondgenoot zag. Van der Weijde wist haar ertoe te bewegen hem het beheer over een filiaal van haar melkhandel te geven. Het was zijn bedoeling van hieruit zelf een verzetsgroep te beginnen om zo illegale werkers uit hun tent te lokken. Ook Ferdinandus viel op zeker moment voor zijn listen; hij kocht wapens die door handlangers van Van der Weijde waren aangeboden.
Door Meelhuysen en Ferdinandus al gewaarschuwd, had Suze Matthes de ware bedoelingen van Van der Weijde al snel in de gaten en zij besloot zelf hem ten behoeve van het verzet te gebruiken. Door hem uit te horen zou zij dan nuttige informatie kunnen krijgen over voorgenomen acties van de Kenpeitai en de PID. Dit bleek niet moeilijk te zijn, want Van der Weijde liet zelf geen twijfel over zijn ware bedoelingen bestaan. In de overtuiging dat zij beiden eensgezind waren in hun anti-Nederlandse opvattingen, vertelde hij haar van zijn activiteiten voor de Kenpeitai. Hij liet haar zelfs een door de PID opgesteld schema van de ondergrondse in Soerabaja zien. In het middelpunt van een wirwar van namen, cirkels en lijnen zag zij naam en adres van Sok Berg staan. Via haar contactpersonen Pieter Stolp en Chris Hencke liet zij aan Meelhuysen overbrengen wat zij had gezien.
Over het riskante plan een verrader in de eigen gelederen toe te laten zullen de nodige harde woorden gevallen zijn, mogelijk zelfs tijdens de vergaderingen die Meelhuysen met Ferdinandus, Moll en Van Manen in de Van Swolstraat had, terwijl Van der Weijde zich in de belendende melkhandel bevond. Ferdinandus, als altijd bereid tot drastische actie, was van mening dat Van der Weijde zo spoedig mogelijk geliquideerd diende te worden. Samen met Groothuizen ging hij enkele malen op pad om dit voornemen uit te voeren, maar steeds wist Van der Weijde de dans te ontspringen.48
De arrestatie van Sok Berg
Hoewel de PID de gangen van Meelhuysen en de zijnen al geruime tijd in de gaten hield, ging zij pas in december 1942 tot de eerste arrestaties over. De zaak kwam aan het rollen nadat de PID getipt was over een geheime bergplaats van vuurwapens in een pand aan de Carpentierstraat. Orisjiama, Moendjadi en Prawoto gingen op onderzoek uit en vonden de wapens in een septic-tank. In verband hiermee arresteerden zij korporaal Matatoela, een van de Molukkers uit het Bijenkorf-kamp. Door Matatoela te folteren verkreeg de PID de namen van tien andere Molukkers, die allen geholpen hadden bij het bergen en schoonmaken van het wapentuig. Tijdens hun verhoren vielen weer nieuwe namen, waaronder die van Sok Berg en van Meelhuysen.49 In de avond van 20 december ging de PID op pad om ook hen te arresteren.
Diezelfde avond vond er in het huis van Sok Berg een vergadering plaats. Sok Berg en Meelhuysen waren hierbij aanwezig, evenals Ferdinandus Pangemanan en Runtuwene. De vergadering verliep in een bedrukte sfeer. Door de arrestatie van een aantal Molukkers uit de groep kon men de hete adem van de PID en de Kenpeitai al in de nek voelen. Meelhuysen zelf had het bange voorgevoel dat het niet lang meer kon duren of hij zou worden gegrepen. Hij had hierover met zijn vrouw gesproken en min of meer afscheid van haar genomen.50 Ook Sok Berg was gewaarschuwd. Zij had immers van Suze Matthes gehoord dat zij op een Kenpeitai-lijst stond en dat zij het gevaar liep op korte termijn gearresteerd te worden. Rond een uur of tien, vroeger dan gebruikelijk, besloot Meelhuysen de vergadering te beëindigen en te vertrekken. Ferdinandus ging tegelijkertijd weg. Nog geen half uur later vielen Moendjadi en Sarmanhadi met drie PID-rechercheurs het huis aan Tegalsari binnen. Uit haar slaap opgeschrikt door het lawaai, rende Mildred, nog in haar ondergoed de woonkamer binnen. Zij zag daar haar moeder samen met Pangemanan en Runtuwene staan, bun handen reeds op de rug geboeid. ‘So long’ zingend liep Pangemanan naar de gereedstaande auto’s, Runtuwene en Sok Berg volgden zwijgend.51
Sok Berg werd met de twee Minahassers naar het hoofdbureau van politie aan het Paradeplein gebracht. Moendjadi begon haar direct te verhoren. Hij confronteerde haar met Matatoela, overste Weber en een dertigtal Molukkers, die allen in verband met de organisatie-Meelhuysen waren gearresteerd. Matatoela, die duidelijke sporen van marteling vertoonde, verklaarde haar te herkennen als een van de medewerksters van kapitein Meelhuysen. Sok Berg redde zich uit deze situatie door te verklaren dat zij de kapitein niet kende. Wel gaf zij toe dat zij Tahir kende en dat deze haar vaak bezocht, omdat zij een amoureuze verhouding met elkaar hadden.52 Maandenlang zou zij worden verhoord over haar betrokkenheid bij de organisatie van Meelhuysen. Ondanks de pijnigingen die op haar werden toegepast, ontkende zij alle beschuldigingen en gaf zij niets toe wat haar ondervragers niet al wisten. Zij kreeg hierbij hulp uit onverwachte hoek. Prawoto, in gewetensnood geraakt over de wijze waarop verdachten tot bekennen werden gedwongen, zorgde ervoor dat haar verklaringen niet meer opleverden dan wat de Japanners reeds bekend was.53

‘Een ogenblik van ridderlijk gevoel’
Het bericht van de arrestatie van Sok Berg bereikte Meelhuysen reeds enkele uren later. Hij moet zich gerealiseerd hebben dat het spel uit was. Omdat zijn goede vriendin Sok Berg het eerst gearresteerd was, wilde hij nu niet meer vluchten. Meelhuysen besloot zichzelf aan te geven bij de PID. Door zichzelf als enig verantwoordelijke op te werpen en alle schuld op zich te nemen, meende hij - misschien tegen beter weten in - Sok Berg en alle andere medewerkers de kans te geven zichzelf vrij te pleiten.
In de ochtend van 21 december 1942 bezocht Meelhuysen voor de laatste keer zijn vrouw. Hij vertelde haar van zijn voornemen en stelde haar gerust. Hij zei te verwachten als krijgsgevangene behandeld te zuilen worden en daarom niets te vrezen te hebben.54 Daarna fietste hij naar het Paradeplein, zette zijn fiets tegen de muur van het kantoor van de PID, ging er naar binnen en maakte zich bekend als Meelhuysen, kapitein in het KNIL. Hij werd onmiddellijk onder handen genomen door Moendjadi. Tijdens een onderbreking van haar verhoor - haar beulen waren gaan lunchen - zag Sok Berg Meelhuysen in een aangrenzende kamer zitten. in een moment van onoplettendheid van zijn bewakers liet hij haar zien dat hij iets innam. Later the middag zag zij hem nogmaals. Zij werden toen gezamenlijk per auto naar de gevangenis aan de Werfstraat overgebracht. In een vertrek in deze gevangenis had zij gelegenheid enkele woorden met hem te wisselen. Meelhuysen, die zichtbaar veel pijn leed, vertelde haar dat hij cyaankali tabletten had ingenomen. Het gif had echter zijn uitwerking gemist omdat men de waterkuur op hem had toegepast.55 Het was de laatste keer dat Sok Berg Meelhuysen zag. Enkele uren later slaagde Meelhuysen alsnog in zijn opzet. Zijn bewakers troffen hem dood aan, hij had zich opgehangen aan de tralies van zijn cel.
Over het feit dat Meelhuysen zichzelf aangegeven had, schreef Groothuizen later: ‘Het was natuurlijk fout, maar wie werpe de eersten steen? Waarschijnlijk in een ogenblik van ridderlijk gevoel voor de vrouw was hij bezweken; zij was namelijk de eerste vrouw die opgepakt werd.’56
Het einde van de organisatie-Meelhuysen
De organisatie die Meelhuysen had opgezet zou het verlies van haar leider niet te boven komen. Onder leiding van Ferdinandus werd wel voortgegaan met het treffen van voorbereidingen voor de komst van de Geallieerden, maar de ‘spirit’ was eruit. Eind februari, begin maart 1943 werd de rest van de groep opgerold. Het onderzoek van de PID en de Kenpeitai, dat na de dood van Meelhuysen enigszins was vastgelopen, kreeg een impuls na een tip over de verblijfplaats van Ferdinandus.57 Op 23 februari omsingelde de PID het huis aan de Princesselaan. Ferdinandus weigerde zich over te geven en verschanste zich met twee geladen pistolen op het dak. Een wilde schietpartij volgde. Twee Indonesische agenten vonden hierbij de dood en Orisjiama werd gewond aan zijn oor.
Begin maart volgden de arrestaties van Groothuizen, dokter Go, Corrie Altman, Suze Matthes, Godie Meelhuysen, Jan Rups, Pieter Colijn, Frans Hengst, Hetty Engelen, Jack Oei Tjiong Ie en van vele anderen. In totaal werden in verband met de organisatie-Meelhuysen zo’n tweehonderd personen gearresteerd. Ferdinandus, Colijn en Matatoela werden in de loop van 1943 door de Japanse krijgsraad in Batavia ter dood veroordeeld en onthoofd. Pangemanan en Runtuwene ondergingen op 31 januari 1944 een zelfde lot. De anderen kwamen er met langdurige gevangenisstraffen vanaf. Groothuizen, die zijn activiteiten altijd zodanig had toegedekt dat men niet achter zijn werkelijke rol was gekomen werd tot acht jaar veroordeeld. Van de vrouwen zagen Godie Meelhuysen en Corrie Altman bun doodvonnis omgezet in zeventien respectievelijk vijftien jaar gevangenisstraf, kreeg Hetty Engelen vijftien jaar gevangenisstraf en werd Suze Matthes in januari 1944 vrijgelaten om drie dagen later te worden geïnterneerd. Sok Berg ten slotte werd tot vijftien jaar veroordeeld.
Het onderzoek van de PID en de Kenpeitai en de informatie van Van der Weijde had de zwakke punten in de organisatie van Meelhuysen genadeloos blootgelegd. De organisatie bleek zeer kwetsbaar voor infiltratie en verraad. Voor een werkelijk ondergrondse actie had Meelhuysen te ambitieuze doelen, had hij te veel haast en moest hij opereren met te onervaren mensen. De gevaren die dit met zich bracht, werden door bijvoorbeeld Groothuizen en Bromet reeds in een vroeg stadium onderkend. Echter daar waar Groothuizen zich, vertrouwend op de leiderscapaciteiten van Meelhuysen, wel voor de zaak inzette, besloot Bromet af te haken. Volgens Bromet was ‘de algemene situatie van dien aard dat daadwerkelijk optreden voorbarig was te achten’58 en nam Meelhuysen een te groot risico door alle inmiddels verzamelde wapens naar een centraal punt in de stad over te laten brengen.59 Daarnaast vond hij Meelhuysens opzet ‘te dilettantisch’ en achtte hij het ‘onjuist’ dat er zo veel vrouwen en minderjarigen in de organisatie waren opgenomen.60
Dokter Go In Tjhan deelde de mening van Bromet. Hij was na de oorlog ondubbelzinnig in zijn oordeel over de organisatie: ‘Het moet gezegd worden dat de organisatie slecht georganiseerd was en niet beschikte over goede mensen.’61 In een latere brief toonde dokter Go zich iets milder. Hij schreef toen dat de door Meelhuysen opgerichte organisatie ‘in opzet goed was, opgebouwd uit een cellensysteem, alleen zijn medewerkers en medewerksters waren niet capabel en naar mijn mening niet helemaal betrouw baar. Onder zijn medewerksters waren er personen, die, hoe moedig ze ook zijn, blijk hebben gegeven van weinig tact en te veel sensatiezucht’62 Al met al kan worden gesteld dat de organisatie-Meelhuysen, werkend met beperkte middelen, met onervaren krachten en in een vijandige omgeving, geen partij was voor het professionele opsporingsapparaat van de bezetter.
*Veel officieren van het KNIL hadden een ‘dardanel’ een soldaat wiens (zelf opgelegde) taak er in bestond zijn commandant, meestal een officier, onder alle omstandigheden letterlijk als lijfwacht te dienen en in alle gevaar veilig te stellen.
**Om reden van privacy wordt hier gebruik gemaakt van een schuilnaam.
Noten
1 RIOD,
IC-036008
2 RIOD, IC-082041
3 Ibidem
4 RIOD,
IC-060814060815
5 RIOD
IC-019189
6 RIOD
IC-060814-060815
7 RIOD,
IC-082041
8 CAD, VALI,G 581/66
9 RIOD,
IC-082041
10 RIOD
IC-060814-060815
11 RIOD
IC-082041
12 RIOD,
IC-002436-002
13 CAD, VALI, C
581/66
14 RIOD, IC-082041
15 Ibidem
16 RIOD,
IC-060814-060815
17 RIOD, IC-004365-004372,
IC004385
18 RIOD, IC-082041
19 Ibidem
20 RIOD
IC-002450-002453
21 RIOD, IC-082041
22 CAD,VALI,G 581/66
23 RIOD, IC-002436
24 CAD, VALI, G
581/66
25 A.G. Vromans, R. de
Bruin, Het Indisch verzet, ongepubliceerd (Amsterdam,1967), p.
32
26 CAD, VALI, G
581/66
27 Ibidem
28
Ibidem
29 RIOD,
IC-060814--060815
30 CAD, VALI, G
581/66
31 Ibidem
32
Ibidem
33 Ibidern
34 RIOD,
IC-082041
35 Ibidem
36 RIOD,
IC-060751
37 RIOD,
IC-002462-0002466
38 CAD, VALI, G
851/66
39 RIOD,
IC-0024ó2-002466
40 R. de Bruin, Notitie over de
ontsnappingspoging van M. Hamelink enJ.
van Lier, Diemcn, 1988
41 RIOD. IC-002450-002453
42 RIOD,
IC-060814--060815
43 L. de Jong, Het Koniukrijk der
Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dee1 11b- eerste helft,
(Leiden, Martinus Nijholf, 1985), p. 448
44 RIOD,
IC-082041
45 RIOD, IC-060751
46 Ibidem
47 RIOD,
IC-o06302-016305
48 CAD, VALI, G
581/66
49 Ibidem
50 RIOD, IC-082041
51 Ibidem
52 CAD, VALI, G
581/66
53 Ibidem
54 RIOD, IC-082041
55 CAD, VALI, G
851/66
56 Ibidem
57 Ibidem
58 RIOD, IC-002436
59 RIOD, IC-082041
60 RIOD, IC-002436
61 ARA, AS 5285
62 CAD, VALI, G 851/66
Origineel verschenen in : Verzet
in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting 1942-1945.
Redactie: B.R.
Immerzeel - F. van Esch
©SDU uitgeverij Koninginnegracht, Den Haag
1993
ISBN 90 12
06847 9