G E Rumphius
6 De eilanden Oma en Lease
Ten oosten van Ambon liggen drie kleinere eilanden die gewoonlijk de uliasers, en bij de inlanders Lease, worden genoemd, hoewel die naam eigenlijk toekomt aan het middelste. Ze heten Oma, Lease en Nusa Laut
Het dichtstbij gelegen is Oma. Het werd vroeger Boang Besi genoemd, wat eigenlijk het zuidelijk gedeelte daarvan is dat door de Christenen wordt bewoond. Het ligt krap op twee mijlen van Ambon's oosthoek, is drie mijlen lang en twee breed. Het is al vanouds in twee delen verdeeld geweest, waarvan de Christenen het zuidelijke Boang Besi bewonen en de Moren het noordelijke, Hatuhaha geheten. Het Christelijke gedeelte had vroeger zeven en tegenwoordig acht negorijen, alle Ulisiwa's, waarvan Oma de eerste en voornaamste is.

Oma
Oma, de Christelijke hoofnegorij is aan de zuidzijde van het eiland gelegen, een mijl ten oosten van de hoek van Samet. Daar heeft ook vanaf het jaar 1627 een kleine vesting gestaan die in 1656 is afgebroken en verlaten omdat ze te dicht bij de berg lag, en in de voorafgaande oorlogen door de vijand te veel in het nauw is gebracht doordat men er vanaf de berg met bogen in kon schieten, en ook omdat het hier vanwege het grote rif moeilijk is om te landen.
Ze stonden onder het gezag van de
patih Juan en inmiddels onder Salvador Jansen, die de eerste
plaats inneemt onder de orangkaja's van dit eiland., en zijn 151 mannen, 738
zielen en 115 dati's sterk. Ze scheppen een kora-kora1
met Samet en Wasu, waarbij Wasu de plaats heeft ingenomen van Haruku, dat
vroeger met Oma heeft geschept.
Achter de vesting ligt dichtbij een rotsachtig gebergte waarop Oud-Oma heeft
gelegen. Het is verdeeld in vier soa's: de eerste onder de Patih en zijn twede
man Patih Rane, de tweede onder Domingos Hatumesing, de derde onder de hukum
Akipati, de vierde onder Juan Patih Rane, uit wiens geslacht vroeger ook een
hoofd-orangkaja voortkwam.
In het verleden placht Oma een grote kora-kora te leveren waar alle zeven
christelijke negorijen op schepten. Maar omdat de admiraal Arnold de Vlamingh de
grote kora-kora van weinig nut vond, heeft hij hen in tweeën verdeeld en liet
hij Oma alleen met Samet en Wasu scheppen en de andere vier met Aboru.
Een halve mijl ten
oosten van Oma ligt de plaats Sila, waar veel warm water voorkomt, waaronder een
ziedend heet beekje dat zich vermengt met een riviertje met vers water dat niet
ver vandaar ontspringt. Daarbij ziet men een kuil, zo rond als een ketel en
mansdiep, waar het water zo heet uitborrelt dat men daarin rauw vlees kan koken2.
Dessalniettemin staat het rondom vol met bomen en als men maar een handbreedte
diep graaft, voelt men de warmte van de aarde. Rondom het hete riviertje staan
fraaie sagobomen.
Het warme water welt tevens op vele plaatsen aan de kust op waar get zeewater
op- en afstroomt, vooral bij de oosthoek, niet ver van Oma.
De andere Christen-Negorijen
Samet lag op een halve mijl van het westerstrand
op een vlak gebergte. Tegenwoordig zijn ze naar beneden getrokken, naar de kust
bij de zuidwesthoek van Oma.
Het is een kleine negorij met weinig mensen - 70 mannen, 317 zielen en 54 dati's-,
onder de radja Domingos Hatasua, die in rang echter volgt op de patih van Oma,
wat tegenwoodig het gebruik is dat bij andere negorijen wordt aangehouden. De
negorij bestaat uit drie kampongs, de eerste onder de radja, Juan Subutan, de
tweede van Joris Tuhati, de derde van Paul Elias Tuturin. Ze scheppen samen met
Oma.
Haruku is ook een zwakke negorij. Vroeger was ze
hoog in het gebergte gelegen, wel een mijl van de westkust, maar boven op een
effen en vlak stuk land. Tegenwoordig wonen ze op de westkust, op Nanuroko, een
mooi vlak zandstrand bij het riviertje Leirisa.. Ze staan ook onder gezag van
een radja van weinig gezag, omdat deze in rang moet lomen na de twee patih's van
Oma en Aboru.
Deze negorijheeft drie kampongs, de eerste onder Tehutokal de radje, de tweede
onder Sitania of Radje Muda3, de derde onder Kota haruku.
Tegenwoordig is de radja Salvador Ferdinandus. Ze zijn 88 mannen, 375 zielen en
37 dati's sterk. Vroeger schepten ze met Oma, waaronder ze vanouds vielen, maar
omdat de radja niet goed kon opschieten met de patih van Oma, heeft men hen
moeten scheiden: Haruku is bij het scheppen toegevoegd aan Aboru en in plaats
van de Wasu gekomen.
Bij deze negorij is in 1655 een groot massief fort aangelegd, Zeelandia genoemd,
dat tegenwoordig een handelskantoor is geworden waar gewoonlijk een onderkoopman
en sergeant met in de regel een garnizoen van slodaten zetelen, alsmede een
predikant of een ziekenbezoeker4.

Ten noorden van dit fort heeft de heer De
Vlamingh in de tijden van Madjira's oorlog die van Kaibibi geplaatst, omdat ze
op hun oude land nadat ze het christelijk geloof hadden aangenomen, toch nog
veel heidense geloofspraktijken en duivelsdiensten bedreven en er later veel te
lijden hadden van de Ternatanen, Madjira's aanhang. Ze zijn daarom eerst bij
onze vesting Overburg te Luhu geplaatst en ten slotte, in het jaar 1655, te
Haruku.
Ze zijn nog in twee grote kampongs verdeeld, Leitimor en Leihalat5,
stonden onder gezag van twee hoofd-orangkaja's, Abraham en Gerard, maar
tegenwoordig onder Abraham Riri alleen. Samen zijn ze 155 mannen, 679 zielen en
75 dati's sterk.
Meerderen van Kaobobo hebben zitting in de vergadering van Groot-Seram6, want in
1675 zijn ze van oma weggehaald en weer op hun oude land geplaatst. Ze hebben
goede timmerlieden om allerlei vaartuigen te maken , en scheppen hun eigen
kora-kora van drie ngadju's.
Dit was dus de achtste Christen-negorij op dit eiland.
Aboru ligt niet ver van de
oosthoek van oma, ook aan de zuidzijde, tussen twee gevaarlijke hoeken in een
klein, diep baaitje. Het is een tamelijk sterke negorij, vroeger op krap een
half uurtje gaans in het gebergte gelegen, op een heuvel Amaila, tegenwoordig op
ongeveer een pistoolschot van het strand. Vroeger viel ze onder een patih
Lourenso Lilasa en tegenwoordig onder Dirk Nusahuhu. Ze is de tweede negorij in
rang onder de Christen-negorijen op dit eiland, 78 mannen, 374 zilen en 61
dati's sterk.
Deze negorij heeft droe soa's:1. Salahitu onder Lourenso Nahupueil, 2. Laurisa
onder de patih van Aboru, en 3. Pelauw onder anchoda7 Dirk.. Deze drie soa's
waren vroeger drie afzonderlijke negorijen: Amaila, Amaika of Salahitu, en
Amatibu of Pelauw.
De oude patih in portugese tijden heette Tenusa Huhu8 ; na zijn dood was Martinjo
Simanak aan de regering; de tegenwoordige patih Lourenso Liliasa kwam aan de
regering ten tijde van Philip Lucasz.
Ze scheppen tegenwoordig een kora-kora samen met Haruku, Kariu en Hulaliu.
Wasu is een klein negorijtje
tussen Oma en Aboru, ook aan de zuidzijde gelegen, op een steile klip.
Tegenwoordig is het niet ver van de kust gelegen, onder talrijke klapperbomen.
Ze staan onder gezag van de patih Thomas Malika en zijn 43 mannen, 175 zielen 2n
27 dati's sterk. Ze scheppen nu met Oma vanwege de wissel met Haruku.
Achter deze negorij lag Kariu bijna midden op het eiland, hoog in het gebergte.
Het is dikwijls van plaats veranderd en heeft veel van zijn landerijen verloren
omdat ze vanwege de vele oorlogen lange tijd de wijk moesten nemen naar de
zuidzijde, bij de Christenen, en bij de Wasu moesten gaan wonen. Omdat de
omgeving echter weinig ruimte bood, zijn ze daar door de heer Hustaerdt weer
weggehaald en aan de noordzijde bij het fort Hoorn geplaatst om zo veel dichter
bij hun landerijen te zijn. Daar wonen ze ook niet goed, omdat ze er tussen de
Moren geschoven zijn en bijgevolg regelmatig grensgeschillen hebben met die van
Hatuhaha hebben.
Ze staan onder het gezag van de patih Abraham Cornelis en zijn 87 mannen, 278
zielen en 40 dati's sterk. Ze zijn verdeeld in ... soa's en scheppen samen met
Aboru.
Hulaliu of, onjuist, Ulalihu lag
vroeger diep in het gebergte aan de oostzijde. het viel onder het Moors
gespanschap van Hatuhaha, maar ten tijde van de heer De Vlamingh zijn ze
Christen geworden en daarvan afgescheiden. Ze wonen nu niet ver van de kust aan
de oostzijde, onder de orangkaja Mattheus Hatalapesi. Ze zijn 82 mannen, 292
zielen en 43 dati's sterk, en scheppen met Aboru. Hieronder valt nog een klein
negorijtje, eri, dat vroeger tussen Kariu en Halaliu lag en nu daarin is
opgegaan.
De Portugezen hebben hier iets van het Christendom ingebracht, maar daar kwam
weinig van terecht omdat ze onder de Moren vielen. Het Christelijke zaad is daar
echter verborgen gebleven tot onder het bewind van de heer De Vlamingh: ze
hebben toen zelf om het christendom verzocht, volgens eigen zeggen daartoe
aangezet door de oude herinnering aan de naam die het Christendom in de negorij
had.
Hatuhaha
De Noordwesthoek van dit eiland wordt bewoond door het Moorse gedeelte, vroeger uli Hatuhaha genaamd en omvat de volgende vijf negorijen: Ruhumoni, Pelauw, Kailolo, Kabau en Hulaliu.
Pelauw of het eigenlijke Hatuhaha is tegenwoordig de eerste in Rang. Vroeger was het een behoorlijk grote negorij, gelegen op een mijl landinwaarts achter de kust van Uniasa. Ze staan onder het gezag van de radja Tuhai.
Ruhumoni lag op de kust van
Uniasa, een mooi vlak strand dat loopt van de rotsachtige hoek Huton Hatoru, de
zuidelijke grens tussen Haruku en Uniasa, tot aan de hoek van Kabau in het
noorden, ruim een mijl ten noorden van Haruku. Het lag op krap een halve mijl
van de kust, op een steile rots, Amawail genaamd. Het had een grotere bevolking
dan de radja9 : daarom werd dit
vroeger als het ware Hatuhaha beschouwd en werd de kust van Uniasa de kust van
Hatuhaha genoemd.
Ze stonden onder gezag van een sengadji10
die met de radja dikwijls onenigheid over het voorzitterschap had11
. Uiteindelijk heeft de heer De Vlamingh hen louter op gezag moeten gelasten om
aan de noordzijde van dit eiland bij de rivier Wai Lapia bij elkaar te gaan
wonen. Dar is in 1655 een stenen fort gesticht, Hoorn genoemd, om dit volkje in
bedwang te houden; ze hadden zich in de voorgaande oorlogen van Leliato en
Kakiali namelijk zeer weerspannig gedragen. Ze staan onder gezag van de
orangkaja Risakota en zijn 140 mannen, 615 zielen en 48 dati's sterk.
Welke geschillen men met hen heeft gehad, of ze nu onder Ternataans of
Nederlands gezag stonden zullen we in de Ambonse Historie te zien
krijgen.
Die van Hatuhaha woonden vroeger verstrooid in verscheidene, in de bergen verspreide gehuchten van tien à twintig huisgezinnen. De vier voornaamste waren 1. Wailapa, 2. Waimarke, 3. Tunimahu en 4. Sialana. Maar in Portugese tijden sloten ze zich voor het eerst aaneen om zich tegen hen te kunnen verzetten, vormden samen met Ruhumoni een negorij en gingen wonen op de versterkte berg Alaka, op anderhalve mijl van de kust achter Ruhumoni gelegen. Daar hebben de Portugezen hen belegerd en overwonnen, en sindsdien zijn ze aan het gezag van het kasteel onderworpen geweest. Op dezelfde berg heeft de gouverneur-generaal Anthonie van Diemen hen in 1637 wederom belegerd en bestormd, maar hij heeft hen niet kunnen overwinnen tot ze zich uiteindelijk vrijwillig overgaven. Deze heeft hen in volgende jaren terwille van meer rust overgeleverd aan Ternate.
De negorij van de radja, Pelauw bestaat uit vier soa's:1. Rusina onder de radja, 2 soa Ulat onder de anachode Asam, 3. Sahilei onder de patih Romahu en 4. Paiwaka onder Tua Henai. Samen zijn ze 220 mannen 761 zielen en 103 dati's sterk. Ze staan onder gezag van de radje Touaian, die zijn broer Latulori is opgevolgd, beiden zonen van de radja Latupero, terwijl Latuperu's broer Simitau tussendoor nog radja is geweest.
De Negorij Ruhumoni heeft drie soa's: Lahumoni onder de sengdji, 2. Lerite onder patih Kasun en 3. de soa van Taomatita.
Kabau lag niet ver van Ruhumoni in
noordwestelijke richting, vroeger op ruim een half uur van de kust op een steil,
maar niet zeer hoog gebergte, tegenwoordig beneden op het strandUniasa, war de
vlekke hoek begint. Hun opperhoofd is imam Ulunbesi. ze zijn 138 mannen, 466
zielen en 33 dati's sterk en verdeeld over vier soa's.
Op deze kust heeft de heer Herman van Speult een grote, houten loge laten
oprichten die niet lang daarna weer is afgebroken.
Kailolo lag vroeger nog een half uur verder in het gebergte achter Kabau, ook op een steile, rotsachtige plaats. Tehenwoordig ligt het pal op de vlakke noordwesthoek van het eiland Oma, anderhalve mijl ten noorden van Haruku. Ze staan onder gezag van de orangkaja Tua Naia, ze zijn 175 mannen, 623 zielen en 72 dati's sterk en hebben zes soa's.
Deze vier negorijen vormen de uli Hatuhaha en scheppen gezamelijk een kora-kora. In de vroegere oorlogen van Kakiali en Laliato zijn ze bittere vijanden van de Nederlanders geweest, en in de opstandenvan madjira stelden ze zich neutraal op, of althans uiteindelijk aan onze zijde: daarom zijn ze toen ook niet vijandelijk bejegend, maar hebben ze hun volle gezag en bezit behouden.
Hoewel dit eiland laat begonnen is
met nagelen te planten, levert het tegenwoordig in een gewone moesson 80 bahar
en in een grote moesson 160 à 180 bahar op, die te Haruku worden geleverd12.
Dit eiland heeft een zeer hoog gebergte in het midden en vele kale onvruchtbare
vlakten. Op de hoge berg Gunung Wasele, tussen Oma en Wasele, groeit veel damar,
maar de noordzijde is vruchtbaar aan klapper en alom aan sagobomen.
Het eiland is bijna driehoekig of, beter nog, lijkt op een brede harp met Samet,
Kailolo en Aboru als hoeken.
(dit is de eerste helft van hoofdstuk 6; Het boek bevat behalve de text van de Ambonse Landbeschrijving ook vele verklaringen en achtergrondinformatie)
Noten
Oorlogsprauw (verschillende grootes, maximaal 4 m breed en 30 m lang met 40-100 scheppers)
De heetwaterbron werd wel beschouwd als heilzaam voor rheumatische aandoeningen. Valentijn maakt in Oud en Nieuw Oost-Indiën melding van een jichtlijder die door het plankier boven de bron zakte en de billn deerlijk verbrandde. In de negentiende eeuw, toen kuuroorden in Europa in de mode kwamen, is de bron van Oma onderzocht op mineralen, maar de uitkomsten waren niet bijzonder.
Radja: vorst; muda: jong. Radja Muda: de Vice-Radja.
De ziekenbezoeker deed de geestelijke verzorging, zonder geestelijke te zijn.
Lei: kant, zijde; timor: oost; halat: west.
Bedoeld wordt dat de Kaibobo enkele waardigheidsbekleders levert in de vergadering van de Tala, één van de drie stroomgebieden van West-Seram.
Anachoda, letterlijk schipper of gezagvoerder, wordt hier als titel gebruikt.
De naam Tanusa Huhu komt vrijwel overeen met de naam Nusahuhu, letterlijk 'Fuikeneiland'.
Met Radja wordt hier Pelau bedoeld, het hoofd van Hatuhaha.
Sengadji is een titel van Ternataanse oorsprong, die iets lager wordt gewaardeerd dan de titel radja.
In de uli Hatuhaha was, volgens de adat, een verdeling van verantwoordelijkheden getroffen. Pelau had de bestuurlijke leiding, Ruhumoni was de voornaamste op het gebied van de godsdienst, Kabau was verantwoordelijk voor de verdediging en de vesting op de berg Alaka, Kailolo zorgde in tijden van oorlog voor bevoorrading en proviand, terwijl Hulaliu fungeerde als diplomatiek vertegenwoordiger.
De bahar is een specifiek voor kruidnagelen gehanteerde gewichtseenheid van 550 Amsterdamse ponden, dat is 272 kilogram. Met een 'gewone moesson' wordt een gemiddelde oogst bedoeld. De kruidnagelteelt kende sterk wisselende oogstjaren. Na een buitengewoon rijke oogst was de oogst het daaropvolgend jaar doorgaans bijzonder mager, waarna doorgaans een of meer gemiddelde oogsten volgden.
uit: G. E.
Rumphius - De Ambonse Eilanden onder de VOC, Zoals opgetekend in de Ambonse
Landbeschrijving
Bezorgd door Chris van Fraassen en Hans Staver
© Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers, Utrecht 2002 ISBN: 90-76729-29-8
€ 27.50